NameDr. Christiaan van Haastert
Birth31 Jan 1800, Haarlem, NH, NL
Death21 Sep 1860, Semarang, Java, Dutch East Indies
FatherJohannes van Haastert (1767-1850)
MotherJacoba Louisa Hooman (1778-1848)
Spouses
Birth1803, Semarang, Java, Dutch East Indies
Death9 Feb 1872, ‘s-Gravenhage, ZH, NL
Marriage1820
ChildrenMichiel Christiaan (1821-1824)
 Caspar Joseph (1823-1859)
ChildrenAntonie Frederik (1833-1877)
ChildrenSiegfried (1829-)
Notes for Dr. Christiaan van Haastert
de familie Kroniek - pagina 155

H O O F D S T U K V
DE FAMILIE VAN HAASTERT
Dr. Christiaan van Haastert.
Als kind in het ouderlijk huis te Weesp herinner ik mij, dat door mijn moeder met een zekere wijding en grooten eerbied gesproken werd over haar grootvader (haar moeders vader), Dr. Christiaan van Haastert, naar wien zij genoemd was. Rondom dezen voorvader hing in mijn kinderfantasie een nimbus van romantiek en heldhaftigheid. Onder de familieportretten bevond zich een naar een crayonteekening gereproduceerd portret van dezen overgrootvader, zittend in een eenvoudigen leunstoel, gekleed in het uniform van luitenant-kolonel. De groote epauletten vielen daarin bijzonder op.
Het portret vertoont een tengeren man van middelbaren leeftijd, clean shaven, krullend naar achter gestreken haar, ietwat norsche ernstige trekken.
Zooals hij daar met zijn sterke, gespannen oogen, gevulden mond, met rimpels doorgroefde wangen en voorhoofd en eenigszins groven neus, in de verte schijnt te staren, met een wolk boven de wenkbrauwen, maakt hij den indruk van een ongemakkelijk heer, een man, die veel leed en strijd heeft meegemaakt, gewend zijn ijzeren wil door te zetten ten koste van allen en alles, een houwdegen, een militair in hart en nieren, voor wien plicht en verantwoordelijkheid het begin en het einde van zijn denken beteekenden. Maar ook spreekt uit die trekken een groote zachtheid, die dikwijls samengaat met wilskracht en karaktervastheid.
Aan deze, voor de Indische geneeskundige wereld in de eerste helft der vorige eeuw en voor onze familie zoo eminente persoonlijkheid, zijn de hier volgende regelen gewijd. Ik geef hierdoor uitvoering aan een reeds geruimen tijd bij mij bestaan verlangen dezen voortrekker op zoo menig gebied in onze Oost, door een levensbeschrijving te eeren. Hij verdient dit ten volle. Zijn leven houdt menige les in voor zijn nakomelingen. Het in ons bezit zijnde portret is blijkbaar na zijn overlijden op 21 September 1860 te Semarang (Java) in eenigszins ruimen kring aan familieleden, vrienden en bekenden uitgereikt. Op de achterzijde staat te lezen:
‘Men schrijft ons uit Semarang: Het aantal der enkele overgeblevenen van de vele degelijke mannen, die, na het Engelsche tusschenbestuur, bij de hernieuwde vestiging van het Nederlandsche Gezag, in deze gewesten aanlandden, is j.l. Vrijdag weder met een verminderd door het overlijden van den Heer C. van Haastert, oud dirigeerend officier van gezondheid der 1ste klasse en praktiseerend geneesheer alhier.
Het zou niet onbelangrijk zijn, indien eene meer bevoegde hand, welke in het bezit der noodige bouwstoffen is, eene uitgewerkte levensgeschiedenis van dezen verdienstelijken man schreef; ik bepaal mij tot het volgende:
De overledene kwam in 1817 op Java aan als Chirurgijn 3e klasse, van dit tijdstip wijdde hij op en buiten Java in verschillende rangen bij Militairen en Burgers, zijne steeds vermeerderende kennis en ondervinding ten nutte der lijdende menscheid aan, onder anderen stond hij opvolgelijk een aantal jaren aanhet hoofd der drie groote militaire hospitalen op de drie hoofdplaatsen van Java.
Ik meen dus niet te veel te zeggen met te beweren, dat de naam van Dr. van Haastert door geheel N.I. bekend is.
Met te meer regt kan dit gezegd worden van deze stad, waar hij zich, na zijne pensionneering in 1844 vestigde als particulier geneesheer.
Het is niet noodig hier uit te wijden over de weldaden, welke hij als zoodanig en niet minder als een trouw opvolger van de Christelijke liefdewet alom verspreidde.
Zijn begrafenis welke met regt een volksdemonstratie kan genoemd worden, getuigt genoeg voor dit beweren.
Behalve de honneurs aan zijn rang van Luitenant-Kolonel verbonden, werd zijn lijk te voet gevolgd door eenige oude vrienden, vele behoeftigen en dezulken welke geen huurrijtuig konden bekomen, want omtrent 100 rijtuigen sloten deze lijkstatie. Daarin waren gezeten Europeanen, Chineezen en zelfs eenige Arabieren uit de hoogste en mindere standen der Maatschappij.
Bij het graf hield de Pastoor der R.K. Gemeente (v.d. Grinten) een gevoelvolle aanspraak, schetste de verdiensten van den overledene als geneesheer, echtgenoot en vader, en hoe deze verdiensten haar oorsprong nemen in de zuivere Christelijke opvatting dezer levensbetrekkingen.
Wij eindigen met den wensch van Z.Eerwaarde, dat het de Indische Maatschappij nimmer mag ontbreeken aan mannen als Dr. van Haastert en dat hij in zaliger gewesten moge rusten na zulk een nuttig doorgebragt leven’.

Tot zoover dit, aan de Javaansche Courant ontleend necrologium.
Het is ter karakteriseering van Dr. van Haastert niet ondienstig om onmiddellijk na dit min of meer officieele doodsbericht de laatste wilsbeschikking van den overledene aan mijn lezers te doen kennen. Zij raken dan tevens op de hoogte van de gezinssamenstelling van dezen voorvader.
Deze laatste wil werd - en hieruit moge zijn vooruitzienden, op alles steeds voorbereiden geest blijken - reeds op 23 Maart 1852, dus ongeveer 7½ jaar vóór zijn overlijden in minutieus correct handschrift opgesteld en luidde aldus:

Pagina 157:
‘Geloofd zij Jezus Christus!
Aan mijne kinderen en behuwd-kinderen.
-o-
Hartelijk geliefde Kinderen!
De Heilige Augustinus zegt:
‘Er is veel aan gelegen, om gerust te sterven, zijn tijdelijke belangen, in zijn leven te beschikken, om vooraf zijne goederen te verdeelen, opdat men in het uur des doods zich maar met zijne geestelijke belangen zoude bezig houden.’
Goederen of gelden bezit ik niet en zal ik ook na mijn overlijden niet achterlaten, gelijk mijn Testament zal uitwijzen. Maar, ik vind een gansche andere, hoogst gewigtige en allesteederste aanleiding, waarom ik - nu ik daartoe nog in staat ben, niet wetende of dit later het geval zal wezen, of dat er daartoe wel tijd zal overschieten, deze letteren aan U.L. schrijf.
Ik ben overtuigd, dat gij zult doen, hetgeen ik U bij deze verzoek; want gij allen zijt in een maatschappelijke positie, welke U, dit niet alleen mogelijk, maar ook ligt maakt.
Het is het lot van Uwe twee jongste broers, hetwelk mij zeer bezorgd maakt en ik U aanbeveel; - ik zoude niet gerust zijn, indien ik niet wist, dat, na mijn dood, gij hen in staat zult stellen, hunne reeds begonnen studiën (Deze beide zoons Anton en Jan studeerden voor ingenieur aan de Indische school te Delft en verbleven daar ten huize van de familie van Berckel. Een vriend van hun vader, de Haarlemsche Pastoor Bruns hield toezicht op het geestelijk welzijn der studenten.) te voleindigen en ik heb regt zulks van U te verlangen; want zij hadden dezelfde regten als gij, mijne hartelijk geliefde kinderen, en voor U allen, heb ik mijne taak, als Vader, tot op Uwe meerderjarigheid en zelfs nog langer volbracht, en groote opofferingen gedaan. -
Voor U Casper en Siegfried heb ik niets gespaard om U in Europa een goede opvoeding te doen geven.
Voor U, Jansje en Pecqueur heb ik, bij Uw huwelijk, voldaan aan de gevorderde geldelijke storting.
Voor U, Wiesje en Sloot heb ik gezorgd, dat het huis, waarin wij wonen, benevens alle daarin zich bevindende meubelen enz. U in eigendom toebehoren.
Voor U, Rika, heb ik altijd vaderlijk gezorgd, en U, Dagneaux heb ik Uwe tegenwoordige loopbaan geopend.
Voor Toon en Jan daarentegen heb ik nog weinig kunnen doen; zij zijn nog minderjarig, zoodat zij de ouderlijke hulpe en verzorging hoogst benoodigd hebben, en het was dus billijk, dat ik hen naar Europa zond voor hunne opvoeding, maar even billijk is het, dat ik van U verlang, dat na mijnen dood, gij, tezamen hen in staat stelt, hunne studiën te voltooijen, en daardoor hun den weg opent eenen gelijken maatschappelijken stand te bekleeden, als gij zelven bekleedt; dat gij zulks doet is mijn wensch, zulks is mijn wil.
De Zeer Eerwaarde Heer Pastoor h.t.: Van der Grinten is, na een getroffen schikking, wel zoo goed geweest, om ‘s maandelijks van zijn tractement (De Katholieke geestelijkheid werd in Indië door de weinige notabele geloofsgenooten financieel sterk gesteund. Blijkbaar had Dr. van Haastert den Pastoor een hoofdsom toegewezen, waaruit hij allerlei uitgaven kon bestrijden.) Hfl 125,-- in het belang van Toon en Jan aan de Opvoedings-Maatschappij, gevestigd te Delft, te willen deligeeren, en daar Z. Eerwaarde met alle liefde genegen is, ook na mijnen dood, hiermede voort te gaan totdat Uwe broeders hunne studiën zullen volbragt hebben, zoo hoop en vertrouw ik van U allen, dat gij het bedrag van voorn. deligatie aan Z. Eerwaarde zult blijven afdragen, hetgeen bovendien voor het administratieve beheer van genoemde maatschappij als zeer wenschelijk te beschouwen is.

Mijne vrouw, die het vruchtgebruik heeft van Uw huis en toebehooren, lieve Wies en Sloot heeft mij plegtig beloofd, dat, na mijn overlijden, zij, ten behoeve van Toon en Jan, afziet van dat vruchtgebruik, zoodat de huurpenningen daarvan alsmede kunnen strekken, tot de dekking van de studiekosten Uwer broeders; - in hetgeen daaraannog verder ontbreekt, zult gij, mijn zeer geliefde kinderen, moeten voorzien, ik, Uw vader, die alles voor u veil heb gehad, smeek u daarom; ik ben overtuigd, dat u dit genoeg is, en dat gij daaraan ten volle zult voldoen.-
Ook zult gij, zoo lang mijne weduwe van het genoemde vruchtgebruik ten behoeve van Toon en Jan afziet, haar geldelijk bijstaan en zorgen dat haar aan niets hoegenaamd ontbreekt.
Doet mijn hartelijk geliefde kinderen hetgeen ik u verzoek, beschouwt in dit verzoek de laatste wenschen, welke uw vader, voor het lot uwer broeders bij het scheiden dezer aarde, bezielen.
Het is den Alwetende alleen bekend, wie uwer, mijn hartelijk geliefde kinderen, bij mijn afsterven tegenwoordig zijn, en het is daarom, dat ik van de afwezigen, en, ingeval ik op mijne veege stonde niet ins taat zoude wezen, dat ik ook van de aanwezigen, nu, bij deze, in het leven voor het laatst afscheid neem, met de bede, dat de Almagtige uZijne Hulpe in uwe tijdelijke belangen schenke en u Zijne barmhartige hoede en Zijne liefderijke leiding verleene ter bereiking van het land der eeuwige zaligheid, alwaar ik hoop, dat wij elkander, met de genade van God, door de liefde van onzen Verlosser en onder de bescherming van de Heilige Maagd, terug zullen zien. (Toen Dr. van Haastert overleed waren van de in deze wilsbeschikking genoemde kinderen de oudste en de jongste zoon Mr. Dr. Casper en Jan overleden, de eerste op 1 Maart 1859, de laatste op 17 Nov. 1856.)
Wanneer gij deze letteren leest, heeft de hand des doods ons gescheiden, ontvangt derhalve mijn hartelijk geliefde kinderen, bij deze ook voor de laatste maal mijnen ouderlijken zegen en bidt voor de rust van de ziel van Uw vader.
Semarang, 23 Maart 1852 (w.g.) C. van Haastert’.

Dit was niet de eenige beschikking, welke deze nauwgezette en voor alles zorgende man voor het geval van zijn overlijden heeft gemaakt.
Op 14 Augustus 1852 stelde hij ten overstaan van notiaris C.D. Oosterhout een aantal regelingen na doode op, waarin hij onder meer nauwkeureige voorschriften gaf omtrent zijn begrafenis.

Pagina 159
Zijn lijk moest eenvoudig in een lijkkleed gewikkeld worden met verbod van alle wasching, bloemenbestrooiing of andere dergelijke gebruiken. NIemand moest worden uitgenoodigd om zijn overschot naar het graf te volgen en de laatste eer te bewijzen.
Stil en eenvoudig - zegt hij in artikel V van deze beschikkingen na doode - moet ik bijgezet en, gedragen, ten grave worden gebragt, zonder eenige militaire honneurs’.
Ik betwijfel dan ook - dit lezende - of zijng rootsche begrafenis wel in overeenstemming is geweest met den wensch van den overledene.
Merkwaardig ter kenschetsing van de zakelijke en weinig ijdele geestelijke instelling van Dr. van Haastert is wel het volgende voorschrift.
‘Er zal geene annonce over mijnen dood in de Javasche Courant of andere dagbladen, aangezien ik geene schulden achterlaat, worden geplaatst’.
Het is wel jammer, dat hij ook voorgeschreven heeft den inhoud van een grote trommel, brieven en bescheiden bevattende, ongelezen te vernietigen. Zonder twijfel bevatte dit archief de correspondentie tusschen van Haastert en zijn in het Moederland studeerende zoons. Welk een prachtig materiaal zou dat geweest zijn om de toestanden aan de hoogescholen in die dagen te leeren kennen. Helaas moet ik het zonder deze gegevens stellen.
Niet alleen had van Haastert nauwkeurige en strikte bevelen gegeven over zijn begrafenis en wat ermee samenhing, ook had hij, in artikelen onderverdeeld - als scheef hij een van zijn tallooze geduchte ambtelijke rapporten eninsturcties -, verlangens neergescheven: ‘ingeval van bedenkelijke ziekten’.
Als geneesheer koos hij - blijkens in het stuk later ingeschoven los strookje papier - Dr. de Ruyter.
Verder begeerde hij ‘gedurende zijnziekte tot aan zijn dood toe van bezoeken verschoond te blijven; kunnende, behalve mijn kinderen en verdere naastbestaanden, alleen bij mij worden toegelaten de Eerwaarde Priesters en de H.H. I. van den Worm Bz., G. Waitz, F. Riss en G. Severing’.
Ik vermeld dit alle seenigszins uitvoerig, omdt zoodoende reeds tevoren de mensch van Haastert in al zijn - ik zou haast zeggen bureaucratische - preciesheid en stiptheid, maar ook in zijn groot verantwoordelijkheidsgevoel tegenover zichzelf en tegenover hen, die aan zijn zorgen waren toevertrouwd, kan worden gekend. Zijn geheele optreden als overheidsdienst van 1817 tot 1843 toe is door deze karaktereigenschappen gekenmerkt geweest. Zij zijn ook - en het strekt hem allerminst tot schande - de oorzaak geworden van zijn ontslag uit ‘s lands dienst, nadat hij met niets ontziende heftigheid en met de nauwgezetheid en koelbloedigheid van den chirurg de misstanden in de hygiënische verzorging en in de geneeskundige organisatie van Nederlandsch-Indië aan de kaak had gesteld. Hij ontzag daarbij zijn chef Dr. Godefroy niet in het minst; hij wierp hem in een reeks gecalligrafeerde rapporten zijn “j’accuse” naar het hoofd. Hij bracht gedurende eenige jaren de gansche Nederlandsche samenleving in Indië in beroering, spaarde daarbij niemand en niets.

Pagina 160:
Waar het aan het welzijn van de aan den medischen stand toevertrouwde belangen gold, wilde hij van geen wijken of tansigeeren weten. Of hij daarbij zijn eigen persoonlijke belangen schaadde, was hem volkomen onverschillig.
Maar wat hij tijdens zijn leven aan miskenning en erger heeft ondervonden, dat alles is jegens hem door de vox populi bij zijn overlijden ruimschoots goedgemaakt. Het krantenbericht gewaagt terecht van een volksdemonstratie. Het feit, dat hij met grooten eenvoud tegenover zijn kinderen bekent, dat hij hun geld noch goed nalaat, maar tevens annonces in de krant overbodig acht, omdat hij geen schulden heeft, spreekt elke verdenking van baatzucht bij voorbaat tegen.
Deze man heeft van zijn patienten nauwelijks zooveel gevraagd als strikt noodig was om zijn talrijk kroost een goede - ik mag wel zeggen - voortreffelijke opvoeding te geven. Hij liet na zijn dood niets meer, maar ook niets mminder na dan een schare voortreffelijke nakomelingen, de jongesn als academisch gegradueerden of officieren in het Ned.-Indisch leger, de meisjes als zeer kunstzinnige en in cultureel opzicht uitblinkende echtgenooten en moeders.
Het optreden van Dr. van Haastert na den val van Napoleon, zoowel in het openbare als in het private leven is te merkwaardiger, wanneer men de toen ter tijde heerschende toestanden op godsdientig en moreel gebied in ons Indië in oogenschouw neemt. Het Katholicisme in Indië lag onder den zwaarsten druk. Het aantal geloofsgenooten was uiterst gering, de priesterstand - voor zoover vertegenwoordigd - verre van onberispelijk, de invloed van het anti-Katholieke Gouvernement op de kerkelijke toestanden hoogst bedenkelijk, de macht der Loge overwegend.
Wanneer ik deze van Haastert een pionier van het Katholicisme in Indië noem, dan is in deze kenschetsing geen schijn van overdrijving.
Met even groote vurigheid den niets ontziende beginselvastheid heeft van Haastert de rechten van de Kerk zowel als die van den medischens tand verdedigd, daarbij in zijn isolement gesteund door zijn zoons, vooral zijn oudsten, Mr. Dr. Caspar Joseph (In Leiden op 8 November 1843, 20 jaar oud gepromoveerd), zijn schoonzoon Dr. Carel Albert Joseph Pecqueur de la Motte Piquée (uit een adellijk Fransch geslacht gesproten, tijdens de Fransche revolutie naar Duitschland uitgeweken en te Berlijn op 11 Maart 1853 gepromoveerd) en zijn schoonzoon Carel Frederik Sloot, mijn grootvader.
De van Haasterts stammen uit een oude Haagsche familie, wellicht voortgekomen uit het adellijk geslacht der van Haastregts, waarvan Batavia Illustrata vele bijzonderheden, die ik verder rusten laat, vermeldt.
Dr. Christiaan van Haasterts grootvader, Leendert van Haastert, huwde op 4 September 1762 Gijsberta van Beek.
-----
pagina 161
Dr. van Haastert als medicus
Op 17-jarigen leeftijd vertrok hij als militair chirurgijn derde klasse naar Indië.
De opleiding van onze medici was in die dagen van tweeërlei aard. Naast de academische opleiding konden de jongelui zich volgens een gilderegeling practisch in de medicijnen bekwamen. In het begin van de 19e eeuw ontwikkelden zich deze twee soorten van doktoren, gelijkberechtigd naast elkaar. Aangenomen kan wel worden, dat het aantal academisch gevormde medici verre in de minderheid was en dat het in die dagen nog allerminst een uitgemaakte zaak was, of een theoretische dan wel practische opleiding voorrang hebben moest. De strijd tusschen deze twee richtingen is eerst veel later - vanzelfsprekend ten voordeele van de academici - beslist. We zouden deze ontwikkeling volgens hedendaagsche begrippen kunnen vergelijken met een soortegelijke toestand in de wereld der architecten en der accountants.

pagian 162
Hoe dat ook zij, het Indische legerbestuur deed 125 jaar geleden bij de voorziening van medische hulp voor de militairen, een beroep voornamelijk op de z.g.n. ‘veldscheerders’. Zij kwamen - volgens Napoleontisch recept - al zeer jong als élève chirurgijn in dienst en kregen gelegenheid na eenigen tijd van practische werkzaamheid het examen van aide-chirurgijn af te leggen om via dezen titel na afgelegd examen op te klimmen tot chirurgijn-majoor. Er bestonden derhalve drie klassen of rangen. Merkwaardig was, dat de inrichting en de dienst in Indië precies geregeld waren conform aan die in Nederland. Zoo droegen deze medici, het tropenklimaat ten spijt, een donkerblauwe lakensch uniform. We kunnen van hen dan ook niet spreken als van ‘weldoeners in het wit’, de goeden onder hen waren ‘weldoeners in het donkerblauw’.
Toen Daendels in 1807 langs allerlei sluikwegen -teneinde uit de handen der Engelschen te bllijven - naar Indië vertrok, nam hij 5 of 6 chirurgijns met zich mede. Of deze allen behouden zijn aangekomen dan wel onderweg ergens zijn blijven hangen is nog niet komen vast te staan.
Daendels bestemde zijn medici in de eerste en voornaamste plaats voor de verzorging zijner soldaten. Het Indische leger telde toen ongeveer 17.000 man, in hoofdzaak uit Inlanders bestaande. Wanneer er tijd over was, mochten deze militaire doktoren (anderen waren er niet) ook aan de burgerbevolking hun goede diensten bewijzen, maar daar kwam niet veel van terecht, gezien het geringe aantal beschikbare chirurgijns, het gebrek aan geneesmiddelen en vooral de enorme afstanden in een van verkeerswegen en verkeersmiddelen vrijwel verstoken gebied.
Toen in 1811 de eilanden der Indische Archipel door Raffles in naam van den Engelschen Koning werden bezet, heeft deze terstond de medische verzorging van het leger en van de bevolking met kundige hand aangevat. Vooral de inenting tegen pokken - the topic of these days - heeft hij, naar velen meenen, zelfs ‘overijverig’ ter hand doen nemen.
Na het herstel van het Nederlandsche gezag in Indië (1816) is daar de G.G. baron v.d. Cappelle op het voetspoor van Raffles voortgegaan, waarbij het principe werd gevolgd, dat de Militaire en Burgerlijke geneeskundige diensten gescheiden moesten blijven. Deze toestand heeft slechts korten tijd (van 1820 tot 1827) geduurd.
Toen van der Cappelle opgevolgd werd door den Belg L.P.J. burggraaf Du Bus de Gisignies deed op hoog bevel de bezuinigingspolitiek in Indië haar intrede, ook op het zoo precair terrein der volksgezondheid. Deze politiek hield voornamelijk administratieve samenvoeging in van de militaire en de burgerlijke medische diensten, alsmede van den dienst der inentingen onder één leiding, gepaard gaande met een geheele reorganisatie van het gansche medische apparaat.
In 1827 was deze dienst aldus samengesteld: 1 Chef, 3 dirigeerende officieren van gezondheid, 15 chirurgijns-majoor, 55 chirurgijns 2de klasse en 28 chirurgijns 3de klasse, tezamen 102 man. Onder hen bevonden zich veel vreemdelingen, voornamelijk Duitschers, die zich voor Indië zeer verdienstelijk hebben gemaakt.

Pagina 163
Tot goed begrip van den levensloop van Christiaan van Haastert moet men zich indenken, onder welke uiterst bezwaarlijke omstandigheden deze chirurgijns en met name die der 2de en 3de klasse, die nogniet volledig opgeleid waren, moesten arbeiden. Een deel van hen werd gedetacheerd naar de buitengewesten zonder eenig contact met de medische wereld en met de Westersche beschaving in het algemeen. Hun salaris was er niet anar, dat zij in staat waren boeken aan te schaffen. Gelegenheid om raad, voorlichting en bijstand te vragen aan meer ervaren collega’s bestond er niet. Wilden zij promotie maken, danmoesten zij zich voorbereiden op het beruchte examen. Men kan zich voorstellen wat daarvan terecht kwam! Tegenover de gedetacheerden naar de buitengewesten, waren de medici, die op Java in de gasthuizen der drie hoofdplaatsen tewek waren gesteld, vanzelfsprekend sterk bevoordeeld.Ziehier een bron vannaijver, bevoorrechting, corruptie, wantrouwen, achteruitstelling en alle gevolgen van dien. Velen gingen in dezen strijd als medicus en als mensch volkomen ten gronde.
Kans om een gezinsleven te leiden bestond er vrijwel niet, verstrooiing door studie of op andere wijze was uitgesloten, leiding ontbrak.
Het kon niet uitblijven, dat vele medici er een bijbaantje in den handel of in de cultures zochten en de patienten aan hun lot overlieten.
Ziehier in grote trekken de toestanden, wartegen van Haastert met de felheid en heftigheid van een Multatuli te velde trok. Als jonge man had hij zelf alle ellende van deze medische chaos meegemaakt. Hij is er niet aan ten gronde gegaan, maar bereikte op 40-jarigen leeftijd den hoogen rang van dirigerend officier van gezondheid enstond aan het hoofd der drie groote hospitalen op Java. Hij had dus recht van spreken en hij heeft gesproken!
Hij zelf heeft in zijn groote rapport aan het Gouvernement d.d. 3 Juni 1843, 72 bladzijden groot plus een bijlage, bevattende 13 scherpomschreven conclusies - waaruit in mijn verder verhaal nog rijkelijk geput zal worden - over den toestand der jonge aspirant medici, van wie hij er één was uit de allereerste tijden, nadat Indië weer zelfstandig nederlandsch was geworden, een boekje opengedaan.
Ik laat hem nu zelf aan het woord:
“Nauwkeurig ook moet men hierbij den persoonlijken toestand van die meestal nog jeugdige militaire geneeskundigen in aanmerking nemen. Hunne geneeskundige opvoeding in het moderland is kostbaar geweest; niet dan na inspanning van alle hunne krachten en geestvermogens hebben zij het standpunt in de maatschappij bereikt, waarop zij zich bevinden, de eerste schrede gedaan op het wijde veld der geneeskunde. Bezield met de beste voornemens om zich daarin te volmaken; gedreven door eene onbegrensde kunstliefde vol hoop om daardoor zoo geenen glansrijken, tenminste zulk eenen loopbaan te kunnen betreden, als het vooruitzigt kan schenken op eenen gerusten ouderdom; vol leer- en weetlust, doch welke te voldoen zij zelve beseffen, dat hun eene leiding, eene wetenschappelijke teregtwijzing onontbeerlijk is, verlaten zij als jongeling de ouderlijke haardstede en hun geliefkoosde betrekkingen, om eenmaal als een kundig mensch, als een in vele opzigten uitsluitend wetenschappelijk man, in onbekrompen omstandigheden tot den kring der betrekkingen terug te kunnen keeren en alsdan de vruchten te oogsten eens onvermoeid strevens ten nutte van het menschdom en ten eigen nutte in een vak, waardoor zij zooveel heilzaams verrichten, zich zoo edel onderscheiden kunnen en waaraan zij de genoegens van hun prille jeugd hebben opgeofferd”.

pagina 164:
Door zulke gevoelens bezield stapte de piepjonge 2de Luitenant, chirurgijn 3e klasse van het No.O.I. Leger, christaan van Haastert, in Januari 1817, als onderdeel van een uit 500 man bestaand transport militairen, aan boord van het schip “De Hoop”, kapitein Inke, dat te Hellevoetsluis aan de kade gemeerd lag.
De bijzonderheden van deze reis zijn ons nauwkeurig bekend door een familieverhaal van Mevrouw Huygens, geboren Nicolette Peronneau van Leyden, die als 9-jarig meisje met haar familie per zelfde scheepsgelegenheid naar Indië overstak.
Haar mémoires, op haar verblijf in de Oost betrekking hebbend, zijn met toestemming der familie in 1938 door Dr. Johanna W.A. Naber in de bekende Patria-Serie onder den titel “onbetreden paden van ons koloniaal verleden” 1816 - 1873, gepubliceerd (Uitgave: P.N. van Kampen en Zoon te Amsterdam).
De militaire commandant van het detachement, luitenant-kolonel Volenhoven, had een aantal officieren onder zich, die voor het merendeel vreemdelingen waren, in hoofdzaak Franschen, eenige Belgen en één Dutsch kapitein. Verder waren er vier militaire doktoren aan boord, onder wie - gelijk gezegd - mijn overgrootvader.
De reis duurde in die dagen lang: wind uit ongunstige richting en windstilte vertraagden de reis. Op haar beurt was deze vertraging weer aanleiding voor een verandering in de route, teneinde kunnne fourageeren. Dat geschiedde in Rio de Janeiro. Ook stormen bleven den reizigers niet gespaard en de doktoren moesten weldra in functie komen, doordat de lading onvoldoende was vastgelegd en in beweging kwam, met gevolg, dat honderden passagiers gewond werden.
De schrijfster verhaalt ook, dat er ongenoegen aan de officierstafel ontstond tusschen de Hollanders en de Franschen. Het is wel duidelijk, dat de burger-passagiers op de hand waren van de Franschen en speciaal twee hunner, die door den Nederlandschen kwartiermeester onhebbelijk bejegend waren en hun reacties daartegen met “arrest forcé: moesten boeten.
“Mijn goede Vader - schrijft Nicolette - ging de gevangenen daaglijks bezoeken en Mama deet wat zij kon om hun leed te verzachten door hun van alles, dat wij tot verkwikking hadden medegenomen, ddagelijks wat te zenden. ~Ik weet wel, dat ik menige kop waterchocolade naar de kebrug bragt en daar altoos een heele poos bij die twee gevangenen bleef, die mij daar van het schoone Frankrijk en van hunne famielje vertelden”.
In het najaar 1817 kwam het gezelschap te Batavia aan en begon van Haastert zijn bewogen loopbaan in zijn tweede vaderland. Hij is tot zijn dood in 1860 onafgebroken in de Oost gebleven zonder het Moederland meer terug te zien: een uniek voorbeeld van acclimatiseering van een Nederlandsche familie in de Oost, te merkwaardiger, omdat de familie geheel Westersch is gebleven, zooals uit het verloop van dit verhaal blijken zal.

Pagina 165:
In het levensbericht van Dr. van Haastert komt de opmerking voor, dat het niet onbelangrijk zou zijn, ‘”indien eene meer bevoegde hand, welke in het bezit der noodige bouwstoffen is, een uitgewerkte levensgeschiedenis van dezen verdienstelijken man schreef”.
Ik bezit niet de pretentie mij in dit eenvoudig verhaal over mijn voorouders, als de meest competente geschiedschrijver van Dr. van Haaterts leven op te werpen.
Ik behoef niet veel anders te doen dan te verwijzen naar den hoogst interessanten en toegewijden arbeid van Dr. D. Schouten, die na zorgvuldige bronnenstudie te Batavia een volledige en boeiende geschiedenis over de medische toestanden in ons Indië over de jaren 1600 - 1900 heeft samengesteld.
De titel van het door mij bedoelde werk, waarin ijn overgrootvader en zijn schoonzoon, Dr. Pecqueur, herhaaldelijk met groote waardeering worden genoemd, luidt: “De Geneeskunde in Nederlandsch Indië ogedurende de negentiende eeuw”. Het verscheen gedurende de jaren 1934 en 1935 eerst in de jaargangen van het Geneeskundig Tijdschrift van Nederlandsch Indië (uitgave G. Kolff en co. - Batavia-Centrum). Het bronnenonderzoek had voornamelijk betrekking op de Residentieverslagen en het geheim Archief der Algemene Secretarie te Buitenzorg.
De stukken, betrekking hebbende op de jaren 1816 t/m 1849, berusten in het Landsarchief te Batavia. De klapper op deze archieven is te vinden te Buitenzorg, afd. Index.
Het groote werk van Dr. Schouten is bovendien in de Engelsche taal verkort uitgegeven onder de Mededeelingen van den Dienst der Volksgezondheid van Nederlandsch Indië in het jaar 1937. De titel luidt:
“Occidental therapeutics in the Netherlands East Indies during three centruies of Netherlands Settlement (1600 -1900).”
Ik meen niet beter te kunnen doen dan letterlijk uit het boek van Schouten (blz. 131 en v.v.) over te nemen, hetgeen omtrent het reeds genoemde conflict Godefroy - van Haastert opgeteekend staat.
Aanleiding tot dezen strijd was - gelijk wij zagen - de regeling der examens voor de chirurgijns. Schouten vertelt daarvan als volgt.
‘Het besluit waarbij dit examen-reglement in 1840 werd vastgesteld, droeg de handteekening van den toekomstigen Chef van den geneeskundigen dienst Godefroy.
Met het noemen van den naam van Dr. Godefroy als Chef van den dienst, komen wij tegelijk op het gebied van den strijd, jaren lang door dezen officier gestreden tegen de heftige aanvallen van den toenmaligen dirigeerenden officier van gezondheid van Haastert. Op zich elf was deze strijd droevig genoeg: beide mannen, P.J. Godefroy en C. van Haastert, waren in 1817 kort na elkaar in Indië in dienst gekomen. de eerste uit Leiden, de tweede uit Haarlem afkomstig, en beiden hadden een uitstekenden staat van dienst. Godefroy had zich al heel jong onderscheiden te Makassar bij de bevordering van de vaccinatie in dat gebied, en bij de expedities tegen Palembang: van Haastert werd overal, waar zijn naam in Residentie-verslagen werde genoemd, geprezen om zijn ijver voor de vaccinatie, evenals om zijn groote toewijding in de behandeling zijner zieken.

Pagina 166:
Deze beide mannen, gestegen tot de hoogste posten, die zij zouden bereiken, daarbij aangewezen op elkaars steun en medewerking, hebben elkaar het laatste gedeelte van hun ambtelijk leven het werken vergald en ten deele onmogelijk gemaakt.
In dezen strijd was van Haastert gedurig in den aanval, Godefroy in de verdediging.
Maar al moge dit gevecht van die beide mannen en voor het prestige van den dienst fataal zijn geweest, voor ons hebben, historisch gesproken, die rapporten nog een goede zijde. Wij kunnen er wel wat uit leeren. In hoofdzaak liep de strijd over twee onderwerpen: de examens en de inrichting van den geneeskundigen dienst in Indië. In stilte was de strijd al tegen het einde van 1840 begonnen, maar de openlijke uitbarsting in rapporten kwam pas in 1842 en ‘43.
In het begin van 1842 had van Haastert den Chef van dienst in een uitvoerig rapport beschuldigd van partijdigheid bij de examens voor de hoogere rangen, waarbij ancienniteit en praktische ervaring werden achtergesteld bij de kennis der theoristen; onder deze laatste benaming bedoelde de schrijver de academisch opgeleide jongelui. De bevoorrechting der theoristen zou op twee wijzen geschieden, langs den directen weg der te gunstige examencijfers en langs den indirecten der plaatsing in de ziekenhuizen der groote centra. Ten bewijze van het eerstgenoemde haalde van Haastert de examenprotocollen van verschillende officieren aan en ploos die uiteen, vooral de examens der heeren Piller, Baumgarten en hagen dienden ertoe, maar begrijpelijkerwijze is de bewijskracht van dat alles voor ons moeilijk naar waarde te schatten. Beter begrijpen wij, ook nu nog, de beschuldiging der bevoorrechting door plaatsing van jonge officieren in groote ziekenhuizen. Hoeveel had hij, wien deze beschikking ten deel viel, niet vóór op hem, die als jong officier 3de klasse naar een buitenpost werd geplaatst. Op de buitenposten ontbrak leiding, voldoende gelegenheid tot oefening, gedachtenwisseling met collega’s, de mogelijkheid mee te doen in de lezing der tijdschriften van het Leesgezelschap; zelfs boeken koopen liet het geringe inkomen inet toe, en zoo stonden deze jonge menschen bloot aan al de gevaren der verslapping in het warme land, dikwijls door heimwee ondermijnd en overgeleverd aan de verleidingen der vreemde samenleving. Hoe menig officier was al na enkele jaren zoo afgezakt of zoo meschenschuw geworden in die eenzaamheid, dat dit op zich zelf reeds een beletsel werd zich voor een examen op te geven. En de krachtige naturen, die tegen dat alles opgewassen bleken en die zijn er gelukkig ook velen geweest, hadden voor het afleggen der examens meestal reizen te maken, die, en dat zou nog lang zoo blijven, dikwijls maanden duurden, ja, soms een vol jaar. Een daaruit voortvloeiend nadeel was dan weer, dat voor vervanging moest worden gezorgd; en zoo kon Dr. van Haastert uitrekenen, dat ongeveer één veirde deel der totale sterkte aan officieren van gezondheid doorlopend op reis was en dus aan den dienst onttrokken.
Onafhankelijk van het feit, of de beschuldiging der bevoorrechting tegen Dr. Godefroy juist was, uit het rapport van van Haastert blijkt wel, hoe groot de gebreken waren in het stelsel, dat zeker voor Europa en voor Nederland heel voldoende was, maar dat tekort schoot vooreen klein corps officieren in een reusachtig eilandenrijk als Nederlandsch-Indië.

Pagian 167
De strijd liep zoo hoog en werd van beide kanten zóó principieel volgehouden, dat het Indisch Legerbestuur met het geval omhoog zat en niets beters wist te verzinnen dan de oplossing van Nederland op te dragen. De Meening van den Legerkommandant was, dat, daar uit de stukken bleek, dat geen van beide heeren zelf academische studiën had gemaakt, ‘ambition de métier’ de oorzaak moest wezen; alle stukken, protocollen, conduitestaten en rapporten gingen nu naar Nederland, onder bijvoeging van de meening van den legerkommandant, dat hij, die in het ongelijk zou worden gesteld, op pensioen gesteld zou moetne worden.
Er is geen bijzondere scherpzinnigheid voor noodig om te begrijpen wat er in Nederland gebeurde; beide heeren werden op pensioen gesteld, van Haastert in 1844, Godefroy een jaar later.
Maar al werden de menschen opzij gezet, het stelsel, dat zoo verstandig was uitgedacht, maar in de praktijd zoo moeilijk was toe te passen, bleef. Nog lange jaren zouden officieren van gezondheid, en onder hen de allerbesten, vergeefs hun pijlen op dat systeem afschieten.
En dat de eeuwenoude strijd om de hoogere waarde van praktische ervaring of van theoretische kennis hier n iet eindigde, spreekt wel vanzelf.
Breeder van algemeene beteekenis dan de aanval op het examen-stelsel was het zeer uitvoerige rapport, da van Haastert in 1843 indiende onder den titel: Betoog der noodzakelijkheid eener Reorganisatie van den Geneeskundigen Dienst in Indië’. (Zie Bundel Medica No. 6 (Varia 51), Algemeen Landsarchief te Batavia).
Dit betoog, hoewel ernstig aan wijdloopendheid lijdende, is in staat ons een overzicht te geven over inrichting en werking van den geneeskundigen dienst in dien tijd.
Na een korte inleiding begon de schrijver zijn rapport met een vergelijking tusschen den militairen geneeskundigen dienst in Nederland en dien in Indië. Ook in nederland bestonden er drie rangen en was voor het bereiken van elk dier rangen het afleggen van een examen noodig. Maar verder, welk een verschil! In Nederland maakten de geringe afstanden en de bestaande verkeersmiddelen het altijd mogelijk er voor te zorgen, dat de jonge en onervaren officieren van gezondheid, voor zoover deze niet werden gehouden in de ziekenhuizen der grootere centra, wat zoveel mogelijk gebeurde, nooit van hulp waren verstoken en steeds onder toezicht werden gehouden. Dezelfde gunstige omstandigheden maakten ook steeds het zenden van ernstige zieken naar de grootere ziekenhuizen mogelijk. In Indië juist alles omgekeerd. De onervaren jongelui op de verste posten, door den afstand buiten staat raad te vragen, zonder dat toezicht anders dan bij uitzondering mogelijk was en zonder dat aan vervoer van ernstige zieken te denken viel. Als voorbeelden van vervoersmoeilijkheden in Indië noemde Dr. van Haastert hier twee heel gewone gevallen. In het eerste wenschte een jonge dokter te Boelakomba, op 37 paal afstaand van Makassar, een ernstig zieken soldaat te laten vervoeren naar het Hospitaal aldaar. Vervoer over land was onmogelijk, niet alleen, omdat er geen bruikbare wegen waren, maar ook omdat de onveiligheid te groot was zonder goed bewapend geleide.

Pagina 168:
Dus over zee. In de goede moesson duurde dat maar twee dagen en dit was dus heel goed te doen, maar in de kwade moesson, met veel storm en regen, kon die tocht 20 tot 30 dagen duren.
Als tweede voorbeeld nam de schrijver een vervoer van zieken uit het ziekenhuis te Djocjacarta naar het groote hospitaal te Soerakarta. De afstand bedroeg 48 paal. Het vervoer moest geschieden in draagbaren door koelies en duurde 2 tot 3 dagen. Maar eens, te Klatten, was het mogelijk geneeskundige hulp in te roepen; de nachten moesten worden doorgebracht, ook in het gebergte, in een pendoppo, blootgesteld aan den wind. Ook zulk een vervoer was voor zware zieken veel te gewaagd. Er bleef dus meestal niet anders over dan, wat ook voor de jonge geneesheeren zelf een beproeving was, te berusten in de hulp, die men had.
Toezicht was in de voorschriften heel goed geregeld, maar was in werkelijkheid geheel onvoldoende. Aan den Chef van dienst was voorgeschreven elk jaar een inspectiereis te maken, maar deze tocht bepaalde zich tot Java; anders was de Chef trouwens permanent op reis geweest. Bovendien werd deze inspectie tijdig aangekondigd, zoodat ieder den tijd had naar het uiterlijke de zaken op orde te brengen; en wat kon de Chef bij zijn korte bezoeken anders zien dan het uiterlijke? in de instructies voor de drie dirigeerende officieren was, zeide van Haastert, verzuimd hen talrijke en onverwachte inspecties in hun ambtsgebied op te dragen. Toch zou dat dringend noodig wezen. want zooals het nu ging, had hun bestaan weinig meer nut dan aan de promotie in den dienst wat meer uitzicht te geven.
Uitvoerig weidde de schrijver uit over het eenzame en gevaarlijke leven dier jonge officieren van gezondheid op de buitenposten. Hoe menig hunner kwam, zegt hij na eenige jaren verblijf op zoo’n post ‘als een verworpeling der maatschappij’ weer terug.
Van waarde voor ons is ook hetgeen van Haastert meedeelde omtrent den burgerlijk geneeskundigen dienst. Deze was toen in Indië op drieerlei wijze geregeld: in de drie groote centra op Java, en bovendien te Krawang en te Grissee, was hij opgedragen aan stadsdoktoren en stads-chirurgijns, dus aan zuiver civiele ambtenaren; op kleinere plaatsen, waar geen militaire bezetting was gelegen, zooals toen te Tjandjoer, Tegal, Pattri en Rembang, werd de B.G.D. gedaan door officieren van gezondheid der 2e klasse; en verder overal, waar troepen waren geplaatst, was de behartiging van den B.G.D. toevertrouwd aan de officieren van gezondheid van die troepen.
Het is te gebrijpen, dat uit deze ontwikkeling der beide diensten een ware staalkaart van gezagsverhoudingen voortkwam met de daaruit onvermijdelijk opkomende moeilijkheden. Vele der jong officieren van gezondheid stonden onder een dubbel gezag, dat van den Resident en dat van den plaatselijken Commandant der troepen. De grenzen tusschen beide gezags-spheren waren onscherp, vielen voor een deel over elkaar heen. Voor den jongen officier van gezondheid hing veel af van zijn eigen inschikkelijkheid, maar lang niet alles.
Ook de verhouding tusschen den Resident en den Commandant was van veel gewicht; bestonden er onderlinge veeten, op de kleine plaatsen geen zeldzaamheid, dan kon het zijn, dat de dokter door den Resident werd uitgezonden op ziekenbezoek op grooten afstand, en dat hij bij thuiskomst voor zijn plichtsbetrachting werd beloond met een stortvloed van de bitterste verwijten door den Commandant over zijn lange uitblijven.

Pagina 169:
Maar ook een te goede samenwerking tusschen beide autoriteiten kon den officier nadeelig zijn; Van Haastert deelde mede hoe kort te voren de Resident in een plaats op West-Java den officier van gezondheid een lokaal had aangewezen voor de vaccinatie, wat zijn recht was; maar hij voegde daaraan toe een bepaling omtrent dagen en uren voor de inenting, wat een medische aangelegenheid beteekende, waarin de Resident geen recht van spreken had. De dokter bleef op zijn stuk staan, de Resident riep de hulp in van den plaatselijken Commandant tegen den weerspannigen dokter, en deze werd nu gestraft in zijn qualiteit van civiel geneesheer en opziener der vaccinatie met acht dagen militair huisarrest. Deze zonderlinge beslissing pleitte in elk geval voor de samenwerking tusschen de autoriteiten in deze.
Merkwaardig is dan ook nog de mededeeling van Van Haastert, dat bij het schrijven van zijn rapport in heel Indië maar één geneesheer practiseerde die geen enkele bezoldiging van het Goevernement genoot; de medicinae doctor Van den Kerckhove te Samarang. Wij mogen dus zonder overdrijving zeggen, dat alle geneeskundigen in het Indië van die dagen, ieder op zijn beurt, wel eens in de gelegenheid kwamen kennis te nemen met het gezags-raadsel uit de bezuiniging Du Bus voortgekomen.
Over de wijze waarop de civiele geneesheren over het algemeen hun werk deden, was Van Haastert in zijn rapport heel slecht te spreken. Bladzijden lang weidt hij uit over hun tekortkomingen. Hoewel hun tracttementen niet slecht waren - de stadskoktoer te Batavia genoot Hfl 550,-- in de maand en de stadsheelmeester Hfl 300,-- - behandelden zij de armen en de zieken in de gestichten en gevangenissen slechts vluchtig; de warme middaguren, wanneer ieder moe was en naar rust verlangde, woerden voor de armenpractijd benut, de koele morgenuren waren voor de practijk bij de gegoede burgerij. De stadsgeneesheer, zeide Van Haastert, maakte bij de armen maar eens per dag een bezoek; wie na dat bezoek hulp noodig had, moest tot den volgenden dag wachten, en er waren gevallen voorgekomen waarin een zwaar gewonde zoo lang niet had kunnen wachten en voor het volgende bezoek al was overleden. Zooals het te Batavia was, ging het ook te Samarang en te Soerabaja.
Een belangrijk deel van het rapport Van Haastert was gewijd aan de pharmaceutigsche dienst. Over het algemeen was de dient zij ge militairen voldoende geregeld, al was het een nadeel dat het aantal militaire apothekers te klein was, zoodat op buitenposten menigmaal een jong officier van gezondheid werd aangesteld tot apotheker.
Ook was het verkeerd dat me was afgeweken van de oude wijze van het oefenen van contrôle. Ook nu nog was het voorgeschreven dat iedere militaire apotheker over elk half jaar een verantwoording indiende.
Maar daarbij was verloren gegaan het inleveren van recepten. Zonder deze recepten was elke contrôle onmogelijk en hoopten zich de verantwoordingsstaten doelloos in de bureau’s op; bovendien zou het inleveren der recepten een nuttige zijdelingsche contrôle hebben opgeleverd op het geneeskundig werk van de schrijvers der recepten.

Pagina 170
Veel ernstiger waren de klachten van den rapporteur over de handelingen der vrije apothekers, die hij beschuldigde van overmatige duurte in den verkoop van geneesmiddelen, en van geringe belangstelling voor het klaarmaken der recepten. De apotheker werd, zeide Dr. van Haastert, slechts zelden gezien temidden van zijn werk, maar hield zich met bijwerkzaamheden onledig, buitenshuis.
aan het slot van zijn beschouwingen plaatste van Haastert een heele lijst van voorstellen, die zouden kunnen leiden tot verbetering.
De voornaamste laten wij hier volgen:
1. Het volledig ineen laten smelten van de beide takken van den geneeskundigen diens, zoodat ook de civielgeneeskundige dienst uitsluitend onder militair gezag kwam te staan.
2. De eisch tot gelijkheid van kennis voor alle officieren van gezondheid in Indië; ieder hunner zou het examen voor chirurgijnmajoor moeten hebben afgelegd.
3. Uitbreiding van de inspecties en het houden dier inspecties op ongeregelde tijden, en onverwacht.
4. Het instellen van een post van Inspecteurs over de vaccinatie en over de Hospitalen in één persoon.
5. Verbod van iederen vrijen invoer van geneesmiddelen in Indië; alleen het Gouvernement zou daarvoor zorgen en de geneesmiddelen beschikbaar stellen, ook voor de burgerij, met 100% op den factuurprijs.
De conclusies, waartoe van Haastert kwam, waren zeker merkwaardig. Menigeen zou in zijn plaats hebben gepleit voor een teruggang naar de scheiding tusschen beide diensttakken, zooals die onder Reinnardt was ingesteld geworden. Van Haastert’s voorstellen komen echter neer op een nòg verder doortrekken van de lijn door Du Bus aangegeven.
Feitelijk beteekenden zijn voorstellen het instellen van een staatsgeneeskundigen stand, waarbij dan nog de bijzondere omstandigheid, dat dit heele apparaat onder het bestuur van het militaire gezag zou staan. Van Haastert begreep natuurlijk heel goed, dat zijn voorstellen, in bijzonder dat omtrent de kennis der officieren van gezondheid, veel geld zouden kosten, maar hij meende, dat dit in deze verantwoord zou zijn (Noot van den Schr. Dr. Schouten verzuimt te vermelden, dat van Haastert in zijn rapport een middel aangeeft om de Financieele doorvoering van zijn reorganisatie-plannen mogelijk te maken, n.l. de instelling van een Gouvernements-monopolie van den handel in geneesmiddelen. Zelfs met een betrekkelijk matigen winstopslag zouden uit deze bron groote sommen te verdienen geweest zijn, welke thans - vertienvoudigd door de woekerpractijken der apothekers - in de zakken der profiteurs verdwenen.). Het spreekt bijna vanzelf, dat dit rapport van van Haastert geen dadelijk merkbaren invleod zou oefenen; de positie, die de schrijver op dat oogenblik, na al zijn fellen strijd, innam, was hem zeker niet gunstig. Toch was dat rapport althans een overweging waard geweest. Zelfs indien wij aannemen, dat niet onmogelijk was, dat de aanvallen op de civiele geneeskundigen en op de burgerapothekers ware aangeblazen door afgunst op de zoo veel hoogere inkomsten dier menschen, dan blijft er van het rapport nog genoeg over, dat zeker juist was en verbetering dringend behoefde. De gedachte om de geneeskunde in Indië, ‘die bayert’, zooals van Haastert schreef, op orde te brengen door haar geheel op te nemen in den militairen staatsdienst, was, waar dit toch al voor negen tienden het geval was, op zichzelf logisch’ het zou aan de gezags-tweeslachtigheid ene einde hebben gemaakt, en aan verdere kostbare maatregelen van verbetering meer kansen van slagen hebben gegeven.

Pagina 171:
Dat de schrijver, zlef blijkens zijn loopbaan met hart en ziel officier van gezondheid, niets liever wenschte dan dat de militaire geneeskundige dienst in staat mocht blijken alle moeilijkheden voor de geneeskunde in Indië uit den weg te ruimen, sprak uit heel het rapport en had zeker gewicht in de schaal mogen leggen. Echter: het werd niet geteld; het rapport blijft schijnbaar zonder eenigen invloed’.

Hier eindigt het relaas omtrent het voornaamste, dat Dr. Schouten over Dr. van Haastert uit de archieven heeft weten op te diepen.
Op verschillende andere plaatsen wordt de naam van mijn overgrootvader met waardeering genoemd, voornamelijk in verband met de vaccinatie.
Speciaal besteedde hij veel zorg voor de in Indië uiterst moeilijke kwestie van de hoedanigheid der koepokstof. Deze moest toendertijd nog geïmporteerd worden.
Telkens worden in de Residentieverslagen door van Haastert klachten geuit voer volkomen onwerkzaam entstoffen en over het te geringe aantal vaccinateurs.
Zoo waren er in 1832 in de Residentie Bengaleen, waar van Haastert als chirurgijn-majoor werkzaam was, voor 480793 inwoners slechts 12 inlandsche inenters.
De Resident voorzag het uitvoerige rapport van den dokter met een aanbeveling tot inwilliging van de verzoekn van ‘den zoo kundigen als braven en achtenswaardigen chirurgijn-majoor Van Haastert’.

In het boek van dr. Schouten is het mij opgevallen, dat de Legerkommandant in zijn bericht aan de Nederlandsche Regeering van Haastert beschuldigt van ‘ambition de métier’ en dat Schouten zelf het niet uitgesloten acht, dat van Haastert in zijn bestrijding van de geldzucht der apothekers wel eens behept kan zijn geweest met afgunst.
Wanneer wij echter de gansche figuur van Van Haastert aanschouwen, dan lijken deze veronderstellingen moeilijk houdbaar en lijkt zeker het vermoeden van Schouten door iets gemotiveerd.
Van Haastert heeft zich door zijn gansche leven een altruïst tot in het absurde getoond.
Om meer licht in de houding van Van Haastert tegenover Godefroy te verkrijgen, heb ik het dossier ter zake, berustend in het Rijksarchief te ‘s-Gravenhage, geraadpleegd. Daaruit is mij al dadelijk gebleken, dat de G.G. zelf blijkens zijn brief aan den Minister van Koloniën d.d. 18 Mei 1842 de objectiviteit van Dr. Godefroy’s oordeel over van Haastert sterk in twijfel trekt.

Pagina 172:
Hij schrijft, dat kennisname der stukken ‘voldoende zal zijn om de onzijdigheid van den Chef van den Geneeskundigen Dienst in zijn beoordeeling van den Heer van Haastert naar waarde te schatten, vooral nadat door Uwe Excellentie zal zijn kennis genomen van eene almede hierbij gaande beoordeeling van vijf vroegere chefs van dien dienst ten aanzien van de Officieren van Gezondheid P.J. Godefroy en C. van Haastert, waaruit genoegzaam blijkt, dat laatstgenoemde steeds de goedkeuring van zijn chefs heeft verworven.’
Het is wel jammer, dat de bijlagen van den brief van den G.G. aan den Minister van Koloniën uit het dossier zijn verdwenen en dat ik dus geen kennis heb kunnen nemen van de conduitestaten der H.H. Godefroy en van Haastert; maar uit het bovenstaande blijkt m.i. afdoende, dat in deze geheele affaire, zakelijk gesproken, het gelijk aan de zijde van Dr. Van Haastert was en dat hem geen enkele blaam treft. Zijn ontslag is uitsluitend gegeven op overweingen van discipline, wat niet gezegd kan worden t.a.v. de demissie van Dr. Godefroy.

Het befaamde rapport Van Haastert berust in afschrift, gelijk al het andere materiaal, door Dr. Schouten in Indië zelf bijeengezocht, op dit moment te Leiden in het Instituut voor Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuurwetenschappen, Academisch Ziekenhuis, Afd. Oogheelkunde, Directeur Dr. F.W.T. Hunger. Ik heb het daar kunnen bestudeeren en toen zijn mij nog enkele détails over de ten hemel schreiende wantoestanden in de verzorging van de zieke menschen opgevallen, die de scherpe, doch steeds uiterst beheerschte en zelfs plechtstatige reacties van Van Haastert, volkomen rechtvaardigen.
Herhaaldelijk gispte hij de winzucht van gewetenlooze apothekers, die op de grofste wijze misbruik maakten van den nood van hun medemenschen. Zoo lees ik op blz. 49:
‘Werkelijk indien een eerstbeginnend ambtenaar of handelaar het ongeluk treft van in deze gewesten slechts voor één maand aan het ziekbed gekluisterd te worden, dan brengt hem dit door de hooge apothekersrekeningen tot een verachtelijken geldelijken toestand, die hem maanden lang kan doen zuchten en treft onheil een huisgezin, zijne misschien talrijke kinderen, dan is het bijna onoverkomelijk, want zijne verdiensten zijn niet toereikend om dien slag te wederstaan. Een apotheker in Indië rekent niet bij centen maar altijd bij guldens en iets wat inkoopprijs 5 en 6 centen heeft gekost, wordt nooit minder dan voor 3 à 4 guldens van de hand gezet.’
En wanneer - aldus van Haastert - de verstrekte geneesmiddelen nog maar van goede kwaliteit waren geweest, dan zou de patient zich misschien hebben kunnen troosten met de gedachte: de gezondheid wordt duur betaald, maar in vele gevallen werden volkomen ondeugdelijke en waardelooze pillen, drankjes en poeiers den stakkerds in den maag gestopt. Behalve dat vele geïmporteerde medicamenten overjarig waren geworden en niet tijdig door versche waren vervangen - de contrôle daarop bestond wel op papier, maar er kwam vanzelfsprekend niets van terecht - ook het bereiden der geneesmiddelen liet allees te wenschen over. De apothekers zelf beoefenden bijbaantjes als hoofdberoep in handel en in de culturen en lieten de apotheek over aan volkomen obekwame inlandsche bedienden.

Pagina 173:
Een enekle maal zag ‘Hoogerhand’ zich wel gedwongen in te grijpen, b.v. toen een apotheker te Samarang voor een zeer eenvoudige gerechtelijke expertise in een vergiftigingszaak, waarmee geen uur arbeid verbonden was, een declaratie van Hfl 130 zilver indiende.
Van Haastert legde den vinger op de wonde plek der toenmalige Indische samenleving als hij zegt: ‘De zedelijke kwaal, waaronder in Indië zoo vele lieden gebukt gaan, om zich zoo spoedig mogelijk door welke middelen ook, zelfs door een amalgama van verschillende beroepen, te verrijken, is mede tot hen (n.l. de apothekers) overgeslagen en het is een zeldzaamheid een apotheker op welk uur van den dag ook, te midden van zijn dagelijksche bezigheden in zijn woning onledig te vinden.’
Een onderwerp, waartegen Van Haastert evenzeer de pijlen van zijn zeer beheerschte verontwaardiging richtte, was de toestand der chirurgische instrumenten, welker verzorging in hoogste ressort tot de taak van de Chef van den Geneeskundigen Dienst, Dr. Godefroy behoorde. Tijdens diens afwezigheid, had Van Haastert als plaatsvervangend Chef het volgende medegemaakt.
Hij ontving in die hoedanigheid een rapport van den Resident van een der gewichtigste bezittingen in de Molukken, waaruit bleek, dat een lijder was overleden, die, naar menschelijke berekening, behouden had kunnen worden, indien men een amputatie had kunnen bewerkstelligen, hetgeen niet kon geschieden uit gebrek aan de daartoe onmisbare instrumenten. Dr. Van Haastert vervolgt: ‘De bron hiervan (n.l. van het gebrek aan instrumenten) op te sporen is geheel onnoodig en zoude tot onaangename gevolgtrekkingen kunnen leiden; genoeg, het gebrek bestaat.’
Van Haastert geeft terstond last om met de eerste scheepsgelegenheid een stel van die instrumenten af te zenden, maar hij komt tot de ontstellende ontdekking, dat er slechts twee stel in ‘s Rijksmagazijn van geneesmiddelen aanwezig zijn, zoodat er niet alleen een plaatselijk maar een algeheel gebrek aan onmisbare hulpmiddelen voor chirurgische behandeling geconstateerd moest worden.
Stelt U voor - zegt van Haastert - dat er - was steeds mogelijk is - ergens in de Archipel oorlog of onlusten uitbreken, hoe moeten de doktoren dan de gewonde soldaten verzorgen?
Zijn grieven over deze zaak gaan nog dieper. Hij bemerkt, dat verreweg de meeste instrumenten in verroesten toestand uit Nederland in Indië aankomen en dat zij geheel onbruikbaar zijn. Dat deze misstand niet kan worden toegeschreven aan den eisch om de onkosten te drukken volgt uit de betrekkelijk geringe geldsommen, die met den aankoop van deze instrumenten gemoeid zijn. In de jaren 1816 - 1843 gaf het Rijk voor dat doel in totaal slechts Hfl 45.526,74 uit.
Van Haastert bepleitte dan ook in een zijner conclusies de aansteller van een bekwaam instrumentmaker in Indië zelf.
Zoo vond de roep om industrialisatie van Indië reeds in 1943 in Van Haastert op een beperkt, maar uiterst gewichtig gebied, een verdediger.
Al moge Van Haastert de door hem bepleitte reorganisaties zelf niet ten volle beleefd hebben, het is voor geen twijfel vatbaar, dat zijn optreden der tragen gang der geschiedenis heeft verhaast.

Pagina 174
Zijn voorbeeldig leven als medicus zal zounder twijfel aan zijn optreden een groote moreele beteekenis verleend hebben. Hij zelf toch was allerminst behept door de begeerte ten koste van alles, zoo spoedig mogelijk rijk te worden en dan weer naar het Moederland terug te keeren.
Toen hij na zijn ontslag in de kracht van zijn leven zich te Samarang als particulier medicus vestigde en aldaar tot zijn dood verbleef, heeft hij vanzelfsprekend gelegenheid te over gehad - als hij het wgewild had - een fortuin bijeen te garen. Hij heeft dat echter niet gedaan, integendeel hij is - gelijk hijzelf in zijn testament verklaart - zonder iets na te laten, bezittingen noch schulden, heengegaan, daarmede op de meest overtuigende wijze aantoonde, dat noch jalousie de métier, noch afgunst hem bij zijn opzienbarend optreden tegen aperte wantoestanden hebben gedreven.

Ik wil dit deel van de levensbeschrijving van Dr. Van Haastert als medicus besluiten met een episode, waaraan de komische noot niet ontbreekt.

Schouten vertelt het op blz. 151 van zijn boek.
‘De Engelsche kolonie had in Batavia een eigen Engelschen dokter Dr. Hardy. Natuurlijk had deze Engelschman eerst een examen moeten afleggen, wat in 1841 en ‘42 nog tot eenige moeilijkheden aanleiding gaf. Er was toen een aanvraag ingekomen van een Engelschen dokter, H.C. Marten, om het recht te mogen praktiseeren onder de Engelschen te Batavia; toen dat recht niet werd gegeven, kwamen er van den dokter en van de Engelsche kolonie verzoekschriften bij het Gouvernement in, waarin voor den dokter, die bij die gelegenheid werd genoemd ‘lid van the Royal College of Surgeons te Londen’ op hoogen toon toelating werd geëischt. Bij onderozek bleek nu, dat deze dokter zijn Nederlandsche collega’s al heel wat last had bezorgd; hij was uitgenoodigd geweest zich te onderwerpen aan een examen, waaraan hij gevolg had gegeven op voorwaarde, dat hij zou worden ondervraagd in het Latijn. Dat was goedgevonden en twee eximinatoren, Van Haastert en Döbbel hadden zich moeten excuseeren, de doktoren Fromm, Sellingen en Voigt, die echter bij het examen tot de ontdekking kwamen dat Dr. Marten zelf geen woord Latijn kende en dat bovendien zijn kennis der geneeskunde zoo pover was, dat hij, in welke taal dan ook, moest worden afgewezen.’

Pagina 175
DR. VAN HAASTERT ALS KATHOLIEK EN ALS HUISVADER

Toen Van Haastert, nog geen 18 jaar oud, zijn loopbaan in Indië onder zeer moeilijke omstandigheden begon, was ons Indië niet alleen in staatkundig en intern-organisatorisch, maar ook in godsdienstig-cultureel opzicht in sterke spanning. (Het hier volgende is ontleend aan het boekwerk, ‘400 Jaren Missie in Nederlandsch Indië (1939) en aan het boek van Pater Arn. J.H. van der Velden S.J. bij gelegenheid van het eeuw-feest der R.K. Missie verschenen (1808 - 1908).)
Het Katholicisme was tijdens het bewind van de Oost-Indische Companie op de meeste eilanden met wortel en tak uitgeroeid. Alleen op Flores en Timor en sporadisch op Java en in de Molukken waren nog eenige sporen van het vroegere missiewerk overgebleven, speciaal onder de afstammelingen der Portugeezen.
Aan Daendels was door Koning Lodewijk Napoleon opdracht gegeven, dat aan alle gezindheden de uitoefening van hunnen Godsdienst vrij moest staan.
De eerste R.K. Priesters, de 55-Jarige Jacobus Nelissen en Lambertus Prinsen, beide seculieren, zetten op 4 April 1808 te Batavia voet aan wal. In hetzelfde jaar werd als tweede kerkelijke statie op Java een parochie te Samarang gesticht.
Twee jaar later werd het aantal missionarissen met twee uitgebreid. De Eerw. Heer Henricus Waanders richtte een statie te Soerabaja op, zijn collega de Eerw. Heer Philippus Weddind voegde zich als assistent bij den inmiddels tot Apostolisch Perfect benoemde Pastoor Nelissen te Batavia.
Tot 1834 toe bleef het werkterrein der Katholieke Missie tot Java beperkt en ook daar waren de moeilijkheden zeer groot. De Katholieken woonden te verspreid. Door onvoldoende geestelijke verzorging liet het godsdiensige en zedelijke peil veel te wenschen over. Het concubinaat was een welig en openlijk tierend kwaad tot zelfs in de kringen der hoogste ambtenaren en officieren. Maar gelukkig werden er ook goede Katholieken geovnden, wier persoonlijke ijver en offervaardigheid groote diensten aan de missie bewezen heeft. De verhouding van Missie tot Gouvernement was allertreurigst en voor de Kerk op den duur onaanvaardbaar.
De Indische Regeering huldigde de opvatting, dat haar en haar alleen de zeggingschap toekwam in alle kerkelijke aangelegenheden.
De missionarissen werden benoemd, verplaatst, geschorst en ontslagen door de Regeering; zij werden dus als gewone gouvernements-ambtenaren beschouwd.
De anti-Katholieke Gouverneur Generaal J.C. Baud ging zlefs zoover dat hij een niet-Katholiek bestuur en een niet-Katholieke weesvader benoemde voor het R.K. Weeshuis te Samarang. Bovendien beperkt hij het organiek aantal geestelijken op 6.

Pagina 176:
Zelfs met de predicaties hield deze G.G. zich bezig. Het werd den Prefect Scholten b.v. euveul geduid dat hij in een preek tegen het toetreden tot de Vrijmetselarij had gewaarschuwd en in een andere preek de gemengde huwelijken had afgekeurd.
Toen in het Moederland omstreeks 1840 een milde stemming tegenover het Katholieke Kerk doorbrak, kon er eindelijk aan gedacht worden een missie-overste uit te zenden die de bisschoppelijke waardigheid zou bezitten.
Het noemen van den naam van Mgr. Grooff verplaatst onze gedachten naar een stuk ‘Kultur-Kampf’ in miniatuur, waaraan niet alleen de wereldlijke macht in Indie en in Nederland hebben deelgenomen, maar waarin ook rechtsstreeks - hoe kan het anders - de Katholieken in Indië ten nauwste betrokken zijn geweest.
Ik heb twee bijzondere redenen deze conflicten in mijn familie-verhaal op te nemen en er speciale aandacht aan te wijden. Vooreerst omdat mijn grootvader Carel Frederik Sloot - gelijk reeds verhaald werd - als 18-jarige jongeman aan de zeereis met het zeilschip Maria Susanna Hendrika van 6 Dec. 1844 tot 21 April 1845 in gezelschap van deze eersten Missiebisschop heeft deelgenomen niet alleen, maar een dagboek van die reis heeft gehouden, dat bewaard is gebleven.
De tweede bijzondere reden om deze episode van de Indische kerkgeschiedenis een plaats in dit familierelaas te geven ligt in het feit, dat mijn overgrootvader van Haastert in dit conflict, dat het eerst in Samarang accuut is geworden, tegen de meening der meeste Katholieken aan het bisschoppelijk gezag ongehoorzame priesters, daarbij ook thans weer niet den weg van den minsten weerstand kiezend, maar dien van het recht en van de eer.
De uiterlijke oorzaak van het conflict is te zoeken in het feit, dat volgens den waarnemende G.G. J.C. Reijnst de nieuw aangekomen geestelijken, als missende het ‘radikaal’ van ambtenaren, niet als dienstdoende geestelijken konden worden erkend. Intusschen was dit gemis der officieele aanstelling op dat moment slechts een formeele kwestie, aangezien de benoeming des Konings reeds onderweg was, doch Indië eerst bereikte toen de bedoelde geestelijken reeds waren uitgewezen en zich op den terugweg naar Nederland bevonden.
Mgr. Groofff stelde zich echter tijdens zijn kortstondig bewind op het standpunt, dat het gemis van het ‘radikaal’ alleen aanleiding kon zijn om aan de betreffende geestelijken de financieele overheidsbijdrage te onthouden doch niet om hen te beletten buiten bezwaar van de schatkist hun priesterlijke functies te verrichten. De Bisschop eischte voor zich het recht op, zijn priesters te ontslaan en door anderen te doen vervangen volgens eigen inzicht en op eigen gezag. Hij achtte het Gouvernement niet competent om de kerkelijke discipline te regelen; daartoe was Hij en Hij alleen bevoegd. Dit standpunt werd echter door het Gouvernement als min of meer revolutionair aangemerkt, een standpunt, dat openlijk door de reeds in Indië gevestigde geestelijken en een deel der leeken werd gedeeld, met gevolg, dat de Katholieken in groote meoilijkheden kwamen te verkeeren.
Wat zich te Samarang, waar de familie van Haastert woonde, afspeelde wordt door pater Van der Velden aldus beschreven:
‘na flegging van den eed van trouw in handen van den Resident van Batavia, vertrok de Eerwaarde Heer Heuvels den 2den Augustus 1845 naar Samarang, terwijl den 7den daaraanvolgende de Eerwaarde Heer Kerstens de reis naar Soerabaja ondernam. Droevig echter vonden zij daar den stand van zaken, droeviger nog de stemming, waarin de Eerwaarde Heeren Grube en Cartenstat en, door hun voorbeeld medegesleept, ook de Eerwaarde Heer van Dij, zich bevonden. Reeds uit de eerste brieven van Kerstens en Heuvels bleek het aan Mgr., hoe door meergenoemde drie Heeren, met terzijdestelling van alle voorschriften de heiligste pogingen in het belang van den godsdienst ondernomen, werden vernietigd en verijdeld. Het leven en de handelswijze, voornamelijk van den Eerwaarden Heer Grube, waren meer wereldsch dan priesterlijk, zijn opvattingen en uitingen over den godsdienst meer protestantsch dan Katholiek geworden. Een storm van verontwaardiging stak op, omdat Mgr. de geestelijke kleederdracht voorschreef, als zij in het openbaar verschenen, en het bezoeken van al te wereldsche partijen, concerten en theateropvoeringen verbood. En zoozeer bleven zij zich verzetten tegen hun rechtmatig kerkelijk opperhoofd, dat Mgr., hoezeer het hart hem bloedde, zich verplicht zag hen te suspendeeren en hun binnen de grenzen der Missie alle geestelijke macht en jurisdictie te ontnemen.’
‘Nu was ‘t geen storm, doch een orkaan gelijk, die losbarstte tegen Mgr. en zijn getrouwe priesters. De Eerwaarde Heer Heuvels, die van Mgr. in last had persoonlijk den suspensiebrief te overhandigen aan Pastoor Grubbe, werd als een verrader, rustverstoorder enz. uitgescholden en op alle wijzen beschipt en bespot door den Pastoor en diens zuster.’.
Daar bleef het echter niet bij. De revolutie was in vollen gang. Het kerkbestuur van Samarang sloot de kerk en verzegelde alles, wat zich daarin bevond, ook de H. Vaten en zelfs de tabernakel met het Allerheiligste, terwijl aan de geloovigen de militairen en het weeshuis werd aangezegd, dat tot nader order geen dienst meer zou worden gehouden.
De stappen door Mgr. Grooff bij den waarnemenden G.G. ondernomen om aan het schandaal een einde te maken, hadden tot averechts gevolg, dat de E.H. Heuvels omdat hij zich waarnemend Pastoor had genoemd, uit Samarang werd verwijderd. Eenzelfde lot trof ook den E.H. Kerstens te Soerabaja. Ook daar werd het kerkgebouw gesloten.
Zooals gezegd waren de Katholieken in twee kampen verdeeld. De lauwen en slappen keurden het optreden van Mgr. Grooff in de meest krasse termen openlijk af en gevoelden zich blijkbaar bijzonder content met het bezit van hun mondaine, het anti-religieuze Gouvernement in het gevlei komende en tegen het kerkelijk gezag revolteerende geestelijken.
Zij gaven aan hun meening uiting in een stuk, getiteld:
PROTEST EN KLACHT
der denkende (de uitdrukkend ‘denkend’ deel der natie was blijkbaar in Indië ook voor sommige Katholieken een geliefd etiket voor hun liberale gezindheid.) katholijke Christenen te Samarang, tegen en over de willekeurige handelingen van den Apostolischen Vicaris J. Grooff, te Batavia, uitgeoefende op den Weleerwaarden Heer Grube, roomsch katholijk pastoor te Semarang.

In dat stuk wordt de handelwijze van Vicaris Grooff ‘onberaden en dolzinnig’ genoemnd.

Dit pamflet heeft echter allerminst de goedkeuring kunnen verwerven van de zich noemende ‘Semarang’s welwillende Katholieken’, aan wier hoofd Dr. van Haastert zich had gesteld. Zij richtten een wijs en loyaal adres aan Mgr. Grooff, opgesteld door mijn oud-oom Mr. Caspar van Haastert, den oudsten zoon van Dr. Christiaan.
Dit stuk luidde:

Hoogwaardig Heer!
Met verschuldigden eerbied nemen wij de vrijheid in de bedroevende omstandigheden, waarin wij Catholieken van Semarang verkeeren, ons tot U hoogeerwaarden Heer te wenden, en onze geestelijke belangen in uwe herderlijke en steeds bekende ijvervolle zorg dringend aan te bevelen.
Wij zagen met innigen weemoed door het R.C. Kerkbestuur alhier de R.C.Kerk met een naar ons inzien wederregtelijk gezag sluiten, en de geloovigen van hunne godsdienstoefening beroofd. Wij, die sedert eenigen tijd ons in het bezit van een braaf priester en tevens een regtschapen burger (Bedoeld wordt de opvolger van Pastoor Grube, n.l. den waarn. Pastoor Heuvels). mochten verheugen, wij moeten dien ijverigen priester door genoemd gezag in de uitoefening van zijne geestelijke bediening op een onwaardige wijze zien belet worden,
en ofschoon wij als getrouwe onderdanen, in alles gehoorzamen aan, en eerbiedigen de besluiten der Hooge Regeering, smart het ons toch dien priester te hebben moeten zien vertrekken (De waarn. Pastoor, door Mgr. Grooff als zoodanig benoemd, was n.l. door den G.G. onmiddellijk naar Batavia ontboden.); want daaruit vloeiden deze voor ons en de onzen zoo noodlottige gevolgen:
1e. dat sedert onze Godsdient in hare uitoefening is gestoord geworden;
2e. dat de belijders van dien godsdienst moeten sterven zonder door den bedienaar der kerk te worden bijgestaan;

Pagina 179:
3e. dat reeds een der geloovigen, op zijn sterfbed tengevolge van dit gebrek, zijn toevlucht heeft genomen tot een bedienaar der Gereformeerden Godsdienst;
4e. dat wij onze dierbaarste panden moeten verstoken zien van het godsdiensig onderwijs, dat hen hier zoo noodzakelijk is;
5e. dat zig een 250-tal ongelukkige weezen beroofd zien van godsdienstigen troost, die alleen hun lot dragelijk kan maken;
6e. dat de kinderen ongedoopt moeten gelaten worden.

Het is waar, Hoogeerw. Heer, dat uit den schoot der Catholieken zelve deze onheilen gedeeltelijk zijn voortgekomen; dan wij betuigen U pregtig tot hun getal niet te behooren, maar tot diegenen, welke op grond meenen de handeling van hunnen wettigen opperherder en kerkvoogd stilzwijgend te mogen en te moeten eerbiedigen en gehoorzamen.
Daarom wenden wij ons dus tot Uwen Hoogeerw. met het eerbiedig verzoek, steeds het oog hebbende op onzen betreurenswaardigen toestand alles aan te wenden wat mogelijk ons Catholijken spoedig in het bezit van een braaf en ijverig priester zooals wij verloren hebben te herstellen.
Van onzen kant zullen wij niet nalaten te bidden, opdat God U H.W, pogingen ondersteune en het aangevoerde om de vervallen Godsdienst in deze gewesten op te rigten en haar dien luister te geven, die haar steeds eigen is.
Met de meeste eerbied enz.

Ik zal niet alle verdere details van deze hoogst onverkwikkelijke geschiedenis te dezer plaatse uiteenzetten. Genoeg, dat op 22 Januari 1846 een uitwijzingsbeluit van den G.G. in het Staatsblad verscheen, waarbij Mgr. Grooff en zijn gezellen werd aangezegd, zich binnen 14 dagen uit Indië te verwijderen.
Weliswaar probeerden de gesuspendeerde priesters hun bediening voort te zetten, doch de geloovigen bleken genoeg inzicht te hebben om aan deze heiligschennis geen medewerking te verleenen.
Onnoodig te zeggen, dat bij Mgr. Grooffs terugkeer in het Moederland, in de pers, in vergaderingen en in het parlement, de gebeurtenissen in Indië de grootste belangstelling hadden.
De zaak werd tenslotte tusschen het Pauselijk HOf te Rome en de Nederlandsche Regeering op bevredigdende wijze geregeld. Het optreden van Mgr. Grooff was niet vergeefsch geweest en de rechten der Kerk werden beter dan voorheen het geval was geweest, gewaarborgd.
Wat de weerbarstige priesters aangaat, deze moesten na het Besluit van den Koning d.d. 5 Mei 1846 Indië verlaten. De H.H. van Dijk en Cartenstat bekeerden zich. Slechts de pastoor van Semarang, Grube, keerde niet als verloren zoon naar het vaderhuis terug. Pater van der Velden schrijft over hem (l.c. blz. 131):
‘Wat te Semarang zijn bij hem inwonende zuster in een oogenblik van opgewondenheid zich had laten ontvallen: ‘Als de Pastoor in Holland is teruggekeerd, gaat hij toch trouwen’, geschiedde helaas en de weinigen, die hem in Amsterdam kenden, schuwden hem of wezen hem na als den afgevallen priester.
Moge hij op zijn sterfbed ten minste nog tot inkeer zijn gekomen!’.

Pagina 180:
Eerst op 13 Febr. 1848, ongeveer 2 jaar nadat Mgr. Grooff als banneling zijn kerkprovincie had moeten verlaten, zette zijn opvolger Mgr. Petrus Maria Vrancken te Batavia voet aan wal. Gedurende die twee jaar waren de Katholieken van elken geestelijken bijstand verstoken geweest. Men kan zich dan ook de vreugde voorstellen, waarmede de nieuwe Kerkvoogd en zijn medewerkers overal in de Archipel werden begroet.
Tot Pastoor van Samarang werd de Eerwaarde Heer Van der Grinten benoemd.

Na kennisname van het voorgaande kan men zich een voldoende indruk vormen van de groote verantwoordelijkheid, welke ruim een eeuw geleden op Katholieke ouders in Indië rustte bij de opvoeding hunner kinderen, den invloed van het gezinsmilieu op de jeugd aangewezen. Zij konden bovendien niet steunen op Katholiek schoolonderwijs, immers eerst onder Mgr. Vrancken kwamen de eerste Urselienen als onderwijzeressen in Indië aan.

Beschouwen wij thans Dr. van Haastert als huisvader.
Op den jeugdigen leeftijd van 20 jaar is van Haastert in het huwelijk getreden met eene eveneens zeer jonge 20-jarige vrouw, Philotheia Sajia. Zij was toen reeds weduwe.....

(hierna volgt een opsomming van de 7 kinderen van van Haastert (maar mijn grootvader verzuimt te melden -of hij wist dat niet- dat van Haastert vermoedelijk 3 vrouwen heeft gehad, maar ook ik weet er nog niet het ware van)

pagina 182:
Ik had al gelegenheid op te merken, dat Dhr. van Haastert veel zorg heeft besteed aan de opvoeding van zijn kinderen, daarbij trouw bijgestaan door zijn voortreffelijke echtgenoote, die lief en leed met hem heeft gedeeld en waarover hij in zijn brieven aan kinderen en kleinkinderen met groote tederheid spreekt.
De zoons Caspar, Siegfried, Antonie (Toon) en Jan hebben in nederland met succes gestudeerd. Caspar werd een scherpzinnig jurist en vestigde zich als advocaat in Samarang.
Hij promoveerde, op gezag van den Rector Magnificus J.M. Schrant, 20 jaar oud te Leiden op een in klassiek Latijn geschreven uitvoerige dissertatie over het Romeinsch-rechterlijk onderwerp: ‘Litis contestatic essecontractus’. Het exemplaar van dit boek, dat de jonge doctor zijn vader met een opdracht aanbood, is in mijn bezit. Hij stierf op 36-jarigen leeftijd. Zijn zoon, eveneens Caspar Joseph genaamd, huwde met eene Brouerius van Nidek.
Siegfried bezocht de Militaire School te Harderwijk en diende in het Ned. Oost-Indisch leger als officier. De voornamen van zijn vijf eerste kinderen beginnen alle met een A, zoodat zij bij afkorting A. v. H. heetten, met welke zelfde letters in dien tijd ook een merk van een beroemd consumptie-artikel werd weergegeven.
Hij gaf zijn dochter Adriana niet minder dan 10 voornamen.
zijn tweede zoon Albert kwam omstreeks 1904 met verlof in Nederland. Hij was toen Kapitein in het N.O.I. leger en heeft ons toen meermalen bezocht.
Siegfried moet een zeer hoogen leeftijd hebben bereikt, maar exacte gegevens over zijn zeer avontuurlijk leven zijn niet in mijn bezit.
De twee jongste zoons Toon en Jan studeerden in Delft. Toon werd ingenieur bij den Rijkswaterstaat. Hij stierf op 41-jarigen leeftijd. Zijn dochter Louise (geb. 21 Sept. 1861) huwde met Gonggrijp.
Jan is jong gestorven, hij werd 22 jaar en was toen nog niet afgestudeerd.
De oudste dochter, mijn oud-tane Jansje heb ik als kind nog goed gekend. Zij woonde toen in Delft en werd 79 jaar. Zij was gehuwd met Dr. C.A.J.Pecqueur, wiens naam in het boek van Dr. Schouten vooral als cholera-bestrijder wordt genoemd.

pagina 185:
Ik vervolg nu het overzicht van de kinderen van Dr. van Haastert. De jongste dochter Jacoba Louise (haar vader noemt haar in zijn brieven steeds Wiesje) was ongetwijfeld haar vaders lieveling. Over het huwelijksaanzoek van mijn grootvader, Carel Frederik Sloot heb ik aan de hand van een tochante briefwisseling tusschen de jongelui en tusschen den aanstaanden schoonvader met den aspirant schoonzoon reeds het noodige medegedeeld.
------------
Dr. van Haastert had zijn huishouden in Samarang, waar hij zich na zijn opzienbarend ontslag uit ‘s lands dienst als huismedicus had gevestigd - hoe kan het anders? - op militaire leest ingericht.
Zijn opvattingen omtrent de opvoeding heeft hij neergelegd in een uitvoerig geschrift, dat ook thans nog een zeer geschikte leidraad voor de paedagogie in het gezin zou kunnen zijn. Het zijn voornamelijk vier groepen van deugden, die hij de jeugd wil inprenten:
1. godsdienstzin, 2. gehoorzaamheid, 3. eergevoel en schaamachtigheid en 4. arbeidslust en zelfverloochening.
Verder is van hem een huishoudelijk reglement voor zijn gezin bewaard gebleven. onderverdeeld in 17 artikelen, vergezeld van een inventaris van den inhoud der in de kleerkast der jongelui ‘behoorlijke’ kleeding enz.
Het blijkt, dat de dag begonnen wordt met een sober ontbijt, opgeluisterd door een glas koud water, enkel, of met melk en suiker, waarna gezamentlijk het morgengebed gedaan wordt.
De ochtendwerkzaamheden duren van 7 tot 12 uur volgens een tabel, waarbij onderstaande regelen moeten opgevolgd worden

algemeene Regelen
a. Ijver, volharding en lust om te leeren;
b. Orde bij de bezigheden, dat wil zeggen: het opgegeven werk op den daartoe bepaalden tijd en plaats verrigten, zijne gedachten tot niets anders bepalen, dan alleen tot het werk, wat men doet, en niet aan een ander beginnen, alvorens het eene naar behooren is afgedaan.
Bijzondere Regelen
1. Bij de Musijk. Naauwgezet in het bestudeeren der Gammes; eerst langzaam beginnen met eene hand en vervolgens allengskens de snelheid vermeerderen; U toeleggen dat iedere noot dezelfde graad van sterkte verkrijgt, oplettend wezen, dat met den overgang des duims zulks onmerkbaar voor het gehoor te doen, alle zorg dragen voor den aangeteekenden vingerdruk - Het is verboden om met de ellebogen of schouders te spelen, alleen moet met met de vingers spelen, en van het3de kootje tot aan het einde der hand moet onbewegelijkzijn.

Pagina 186
Verder worden onder dit hoofd ook nauwkeurige voorschriften gegeven voor het lezen en voor het schriftelijk werk, zoo wordt het schrijven met stalen pennen streng verboden, ieder moet zelf zijn pennen helpen vermaken.
Wat den onderlingen omgang der kinderen betreft wordt gezegd:
‘ De leugen, het bedrog, de kwaassprekendheid alsook de hatelijke en verachtelijke gewoonte elkander te schelden of ongerijmde en belagchelijke vergelijkingen te maken, zullen gestraft worden met de artikelen dezer met nauwkeurig en netjes af te schrijven gedurende den tijd van uitspanning.’
Zeer preciese regels worden gegeven omtrent de welgevoegelijkheid bij het nuttigen van de maaltijden en omtrent de huiselijke hygiene.
‘s Middags duren de werkzaamheden van half twee tot vijf uur. Behalve des Zondags mag er overdag niet geslapen worden of op bed gerust.
De uren van ontspanning zijn bepaald van half vijf tot zevenuur.
Deze ontspanning bestaat in wandelen of ‘te paard rijden’. De paarden moeten door de jongelui zelf gezadeld worden; vooral moet daarbij gelet worden op de bevestiging van de kinketting en de singels.
‘s Avonds wordt er weer van 7 tot half 9 gewerkt. Daarna wordt gegeten, het Conscientieboek ingeschreven, gebeden en gaat men slapen.
Merkwaardig zijn de voorschriften omtrent de inhoud van dit conscientieboek.
Melding moet ook worden gemaakt:
1. Of gij in de kerk, bij de huiselijke Godsdienst Oefening en onder het Gebed eerbiedig en aandachtig zijt geweest.
2. Of gij het zoo veel malen gegeven gebod om niet met Javaansche jongens te spelen en te verkeeren overtreden hebt.
3. Of gij wel in ‘t oog hebt gehouden, om op eenen beleefden toon, en op eene verstaanbare wijze te spreken, onverschillig met wie ook zij, alsmede of gij vermeden hebt binnensmonds te praten en te fluisteren.
4. Of gij, wanneer er iemand iets vroeg, die vraag met de achtneming der regelen van beleefdheid beantwoord en den persoon, onverschillig wie, zooals ‘t behoort, bij zijnen naam genoemd hebt.
Ziehier het reglement van dienst van de huize - ik had bijna geschreven de kazerne - Van Haastert. Men vraagt zich af, hoe het in het gezmakzuchtige Indië van die dagen het mogelijk is geweest een troepje jongens en meisjes aan zoo’n streng regiem te onderwerpen. Uit de verhalen van mijn Moeder, die het op haar beurt van haar eigen Moeder had gehoord, viel de praktijk nog al mee. Het onderwijs werd aan huis gegeven en veel werk werd gemaakt van de beoefening der schoone kunsten: litteratuur, muziek en schilderkunst. Mijn grootmoeder was een voortreffelijk pianiste en ook zijn van haar eenige fijngevoelige aquarellen bewaard gebleven.
Wanneer ik het huiselijk leven van mijn Overgrootouders vergelijk met hetgeen Johanna Naber over de familie Peronneau van Leyden omstreeks dienzelfden tijd heeft gepubliceerd, dan kan omtrent de Van Haasterts slechts tot op zekere hoogte gezegd worden, dat wij te doen hebben met een ‘nog vrij Oostersch getinte samenleving van N. -I. en dat met name op Java, als een genoeglijke, vredige samenleving met een wel primitief maar toch idyllisch, patriarchaal karakter.’

Pagina 187:
Johanna Naber vervolgt: ‘Er was nog een volstrekt gemis aan geestelijk en intellectueel verkeer der Koloniën met het Moederland;, Overgrootvader van Haastert heeft dat gemis op de hem eigen afdoende - ietwat autoritaire wijze - aangevuld door zijn volle persoonlijkheid ook aan deze taak te geven. Hij leverde het afdoende bewijs, dat het verblijf in de tropen op krachtige karakters niet verslappend behoeft te werken en dat de Europeaan in elk werelddeel en onder alle omstandigheden zijn cultureele vermogens kan blijven voeden. Voortdurend liet Van Haastert uit Holland boeken overkomen, vooral van godsdienstige en morele strekking. Hij vormde in Samarang een hoogstaand milieu, waarin ook de groote missiebisschop Mgr. P.M. Vrancken (1848 - 1871) was opgenomen.
In de briefwisseling met zijn schoonzoon Sloot en van dezen met zijn vrienden (waaronder paters jezuïten) is voortdurend sprake van wederzijdsch uitgeleende boeken en van de gebeurtenissen in de wereld buiten Java.
Om het beeld van dezen voorouder te completeeren maak ik tenslotte nog melding van het feit, dat Dr. van Haastert, ondanks de zware financieele eischen, welke zijn gezin en zijn menschenliefde stelden, nog kans heeft gezien zijn bejaarde ouders in Haarlem op kiesche wijze, via den Parochiepastooor, te ondersteunen. Uit een briefwisseling met dezen Pastoor, Bruns genaamd, blijkt, dat na den dood van den ouden van Haastert - deze werd 83 jaar - zich een temelijk onverkwikkelijke geschiedenis ontwikkelde over de wijze waaop van Haasterts zaakgelastigde, van der Elst, zijn opdracht had gemeend te mogen opvatten.
Tenslotte werd de zaak door den Pastoor op tactvolle wijze in der minne geregeld zonder dat er geprocedeerd behoefde te worden.
Ziehier dan de levensbeschrijving van Dr. Van haastert.
Ik heb het verantwoord geacht voor hem een ruime plaats in dit familieverhaal in te ruimen, omdat mij geen tweede voorbeeld bekend is van het leven en werken van een Nederlandsche Katholieke familie in de tropen gedurende de eerste helft der vorige eeuw, welke als dat van de Van Haasterts aantoont, wat beginselvastheid en een groot karakter vermogen.
Dr. Van Haastert behoorde door zijn persoon en door zijn maatschappelijke positie tot de allereersten in de Indische samenleving en hij was onder de Katholieke leeken facile princeps. Hij was een weldoener der menschheid, een steunpilaar van Kerk en Vaderland, een streng en rechtvaardig, maar tevens, zooals uit de preliminairen bij het huwelijksaanzoek van Sloot bleek, een teeder-liefhebbend Vader, een voorbeeldig opvoeder en niet in de laatste plaats een goed vriend voor zijn omgeving, waartoe een aantal medici, in zijn school gevormd, behoorden.
Daarover nog een enkel woord. Onder hen bevond zich ook Dr. Waitz, de stadsdokter van Samarang, een der weinigen, die volgens Van Haasterts beschikking ot zijn ziekbed mochten worden toegelaten en Dr. Severing, de leider der vaccinatie in dat gewest.
Dr. Waitz wordt door Dr. Schoute in zijn meermalen aangehaald boek gekarakteriseerd als de bekwame en strijdlustige medicus, die jarenlang - volgens Schoute zeker ook op wat luidruchtige en lastige manier - zijn verdicten tegen wantoestanden in rapporten en geschriftgen de wereld heeft ingeslingerd. Hij en velen na hem hebben het werk van Van Haastert voortgezet, totdat tenslotte niet lang na diens dood in 1860 de inrichting van de medischen diensten in Indië op de hoogte is gebracht van Nederlandsch taak en roeping tegenover de bewoners van de gewesten. Zijn levenswerk is zeker niet vergeefsch geweest; hij heeft tegen sleur en behoudzucht in, de stoot gegeven tot de moderniseering van de gezondheidszorg in onze Indiën en hij heeft als vele voortrekkers op dit gebied zichzelf geofferd voor zijn idealen.
Wij, zijn nakomelingen kunnen ons aan zijn voorbeeld spiegelen en ons daarop inspireeren, waartoe ook zijn bedprentje ons aanspoort:
‘Kinderen! hoort naar de raadgevingen Uws vaders en overweegt dezelve, opdat gij de wijsheid moogt leeren kennen.’ (Spreuken 4.1).


(mijn grootvader heeft erg veel over deze van Haastert geschreven en uitgedokterd over zijn artsen-bestaan en zijn religieuze achtergrond, ik geloof niet dat ik bij een ander zoveel achtergrond heb terug kunnen vinden).
Misc. Notes
http://www.mtaonline.net/~rvh/gen.htm

Lieve Reinette,
Hierbij nog onopgeloste zaken omtrent onze betovergrootvader van Haastert. Wij maar denken dat hij alleen kinderen van Philotea had, maar volgens Robert van Haastert had de schalk nog kinderen van een paar andere dames!! Wat wel in zijn voordeel spreekt, is dat hij ze blijkbaar toch onderhield. En in het geval van onze (mijn) overgrootmoeder Louise Sloot-van Haastert stond in de papieren dat hij haar geëcht had. Hij kon pas (voor de kerk) trouwen met Philothea nadat zij gedoopt was.
Als Pake al wist van de zijpaden van zijn voorvader aan wie hij een lovend hoofdstuk in de Kroniek wijdt, dan vond hij het misschien beter voor ons aller zielerust er het zwijgen toe te doen. (Voor onze moeder de H.Kerk was zo"n levenswijze namelijk zeer doodzondig)
In ieder geval kan jij weer even vooruit (of achteruit!) met je werkzaamheden. Succes xxxx sbé
-------
van Reinette:
Volgens de gegevens die ik nu verzameld heb over deze ‘schuinsmarcheerder’ (wat helemaal in tegenselling is tot de gegevens die ik in de Kroniek heb gelezen):

Dr. Christiaan 31-1-1800 + 21-9-1860
x trouwde hij met (nadat zij gedoopt was)
Philothea Sajia 1803 + 9-2-1872
(zij had uit een eerder huwelijk met Hekkert een dochter Hendrika Gregoria 23-5-1819 .... waar je verder niets meer over hoort???)

Zij hadden samen 4 kinderen:
Michiel Christiaan 2-2-1821 + 12-5-1824 (maar 3 jaar geworden)
Johanna Jansje 20-1-1822 + 1-9-1901 (veel kinderen 78 jr)
Caspar Joseph 15-11-1823 + 1-3-1859 (35 jr)
Jacoba Louise Wiesje 16-9-1825 - 6-10-1873 (48,oogappel en ‘onze’ link)

hierna kreeg Christiaan met Maria Petronella Roeloffs (waar ik verder niets van weet)
Siegfried 2-6-1829 + ?

en daarna met ene ‘Essa’ van Java
Antonie Frederik 2-1-1833 + 4-8-1877 (44 jr)
Johannes Jacobus Jan 30-4-1835 + 17-11-1856 (21 jr)

Dus wat er in de Kroniek staat over het (r)emigreren van de (7?) kinderen en Philothea klopt niet: Alleen de volgende mensen waren nog in leven na de dood van Dr. Christiaan:
- Philothea Sajia
- Johanna (Jansje)
- Jacoba Louisa (Wiesje)
- Antonie Frederik
- Siegfried (? hier is te weinig van bekend)
Dus dat gezin was al flink uitgedund. De vraag is of Philothea’s eerste dochter (doodgezwegen) wel hierbij van de partij was.
en hoe zat het dan met de moeders van de twee laatsten: Maria Petronella Roeloffs en met Essa van Java?
De vraag is: wat zoekt zo’n Philothea Sajia in Nederland waar ze nog nooit is geweest? Hebben haar in NL studerende zonen haar daartoe overgehaald?
Last Modified 2 Jan 2012Created 24 Jan 2019 using Reunion for Macintosh by Reinette