NameJacoba Louisa (Wiesje) van Haastert
Birth16 Sep 1825, Semarang, Java, Dutch East Indies
Baptism22 Dec 1825, Semarang, Java, Dutch East Indies
Death6 Oct 1873, Roermond, LIM, NL
FatherDr. Christiaan van Haastert (1800-1860)
MotherPhilothea Sajia (1803-1872)
Spouses
Birth22 Jun 1826, Oldenzaal, OVL, NL
Death7 Jul 1883, Amsterdam, NH, NL
Occupationhoofdonderwijzer, Nederlands-Indië, schoolinspecteur Roermond
FatherNicolaus Sloot (1777-1844)
MotherJohanna Maria (Joanna) Bloo (1783-1838)
Marriage31 Aug 1850, Semarang, Java, Dutch East Indies
Notes for Jacoba Louisa (Wiesje) van Haastert
uit de familie Kroniek, pagina 143:
Op raad van den Heer Kervel opende de ondernemende jongeman eenige jaren later een welverzorgde correspondentie met de hem persoonlijk onbekende 24-jarige Wiesje van Haastert, die tot het gelukkige, door beiden gewenschte resultaat heeft geleid.
Intusschen zijn de jongelui niet zonder moeilijkheden van de zijde van de ouders van Haastert tot elkaar gekomen. Dat vernemen wij uit de briefwisseling, die de moeite van het vermelden overwaard is. Ik ben ervan overtuigd, dat niemand, van deze correspondentie kennis nemend, mij van onbescheidenheid zal beschuldigen, wanneer ik eenige passages uit deze ongeveer een eeuw geleden geschreven liefdesbrieven in mijn verhaal overneem (Het schijnt niet ongebruikelijk dit soort correspondentie, zelfs van groote mannen, te publiceeren. Zoo verscheen niet alng geleden de briefwisseling van Thorbecke met zijn verloofde en zijn vrouw. -Uitgave verzorgd door Mr. A. Thorbecke, bij J.M. Meulenhoff, Rokin 44, Amsterdam , 1936-).
Integendeel, zij releveeren de diep geodsdienstige levenshouding der betrokken personen en werpen bovendien een voortreffelijk licht op den geest, die in het gezin van mijn overgrootouders van Haastert heerschte.
Carel Sloot had dan op 18 Maart 1850 door tusschenkomst van den wederzijdschen vriend Kervel een formeel aanzoek naar de hand van Wiesje gedaan, waarop de plechtstatige schoonvader in spé koell en zakelijk op 25 Maart d.a.v. aldus antwoordde:
‘Alvorens op het door U daarbij gedane verzoek neer te komen, acht ik ‘t niet overbodig en ondienstig vooraf bij deze te noteeren: dat mijne vrouw en ik in het onderwerpelijke volkomen eens denken, wij met onze jongste dochter evenals met hare zusters hebben gehandeld, toen U door den Heer Kervel ons liet vragen, of er bij ons ook eenige bedenkingen zouden staan, om naar hare hand aanzoek te doen.
Het daarop gegeven antwoord is geweest: dat wij aan onze dochter Louisa volkomen vrijheid lieten in de keuze van een echtgenoot; dat zij haar echter nimmer het huwelijk zouden aanraden, doch wel, dat er zich omstandigheden konden voordoen van het haar te wenschen afraden, en wel hoofdzakelijk deze: als wanneer het gedrag van den aanzoeker niet geheel en al onberispelijk ware en hij een anderen Godsdienst als zij zoude belijden.
Deze twee zwarigheden te Uwen aanzien niet bestaande, zoo heeft dit, gelijk ik heb opgemerkt, aanleiding gegeven, dat U daarop met onze dochter is getreden in briefwisseling, welke tusschen U beiden tot een eenstemmig gevoelen heeft geleid, op grond waarvan als nu door U in gemelde letteren om onze ouderlijke toestemming is verzocht geworden.
Wij willen over het gewigt van dezen stap niet uitwijden; want U en onze dochter zijn als Roomsch Katholijken, dit betwijfelen wij geenszins, daarvan ten volle overtuigd, en beseft ook zekerlijk, dat hiervan niet alleen Uw beider tijdelijk - maar ook eeuwig geluk afhangt.-
Dit u, zoo wel als Luise niet genoegzaam op het hart kunnende drukken, zoo verre en wij dan ook als ouders ten duurste verpligt te zijn, U.L. wel aandachtig te maken, om in deze zoo hoog aangelegen zaak toch niet met overhaasting te werk te gaan, terwijl wij U.L. tevens in overweging moeten geven, of het niet noodzakelijk is, alvorens elkander het Ja-woord te passeren, eene persoonlijke kennismaking vooraf te laten gaan, teneinde elkaar eerst nog beter te leeren kennen.
Indien, Waarde Heer Sloot, U in een en ander met ons instemt, dan geven wij U verder nog in bedenking: om tot een overplaatsing naar herwaarts, wanneer zulks mogelijk is, de noodige pogingen te doen.
Ziehier ons antwoord op uwen voorgenoemden brief, benevens een drieledig verlangen van ons, hetgeen daarmee in verband staat, en waaruit het u gevolgelijk genoegzaam zal blijken, dat wij, ofschoon Uw voorstel aan onze dochter buiten onze bemoeijenis hebbende gesteld, de vervulling van uwen wensch geen hinderpaal in den weg zullen leggen.
Inmiddels U de minzame groeten van mijn vrouw overbrengende, verzoek ik U, mij met achting en toegenegenheid te willen geloven
Uw dw. dienaar
(w.g.) C. v. Haastert.

Den Lezer zal het geen moeite kosten de fijne diplomatie van dezen brief naar waarde te schatten; maar Louise, aan wie de vrijheid gelaten was dit antwoord al dan niet aan haar Carel door te zenden en van commentaar te voorzien zag zich voor een uiterst moeilijke taak gesteld. Hoe voortreffelijk zij zich daarvan heeft weten te kwijten, zal den lezer al evenmin ontgaan.

pagina 136:
Zij begint - wellicht in de veronderstelling dat haar ‘Lieve beste Carel’ er de voorkeur aan geven zal de lectuur van het epistel van het meisje van die van den vader vooraf te laten gaan, den jongen man erop voor te bereiden ‘dat zijn wenschen om het jawoord met deze post te onvangen nog niet vervuld kunnen worden’.
Het verkrijgen van het jawoord is immers bijna onmogelijk, daar haar ouders voorstellen, dat de jongelieden eerst elkander in persoon leeren kennen en vervolgens dat Carel overplaatsing naar Semarang zal vragen. Zelf voegt zij er nog een derde bezwaar aan toe n.l. ‘dat wij met Hfl 150, hier op S. al heel bekrompen zullen moeten leven.’ Zij heeft dit ookk met haar vader besproken die haar geantwoord had, dat het jonge paar bij de ouders zou kunnen inwonen. ‘Ik weet niet, of zulk een samenwoning u wel zal bevallen, daar ik meer heb gezien, dat zulks op den duur nooit goed gaat.’
‘Ziet goede Carel, wat vele zwarigheden er nog bestaan, dat u zeker op het laatst wel zal vervelen, doch lieve Carel, gij ziet dat het van ij niet afhangt; het is waar dat mijne ouders de zaak geheel en al aan mij overlaten, doch zonder de toestemming van hen, zou ik zulk een stap, als het huwelijk is, nimmer doen, daar zulke huwelijken doorgaans niet gelukkig zijn.’
‘Handel lieve Carel, naar hetgeen uw hart u zal ingeven, kunt gij aan het verlangen mijner ouders niet voldoen, ziet dan beste, om uw liefde voor mij uit te dooven. Het zal voor u, zoo wel als voor mij zeker hard vallen, doch het vertrouwen op onzen Hemelschen Vader, Die ons deze beproevingen toezendt, om ons voor het toekomende leven te volmaken, zal mij en zoo ik hoop u ook troost genoeg schenken.’
Zij zal elken dag voor haar geliefde bidden en verlangt zeer naar de terugkomst van haar ?biecht?vader, die een dienstreis onderneemt en tegenover wien zij haar hart kan uitstorten.
het zal Carel nu wel spijten, dat hij reeds een verlof van een maand heeft afgesproken om naar Semarang te komen, daar de zaak nu weer geheel anders staat dan eenige dagen tevoren.
Zij geeft hem zijn vrijheid terug: ‘mocht gij op Grissée of Soerabaja een meisje aantreffen, waar gij ook denkt meê gelukkig te zijn, en waar er tot het verkrijgen van hare hand niet zoo vele zwarigheden aan verbonden zijn, o offer dan uwe geluk niet voor mij op, het zal voor mij een troost zijn, wanneer ik zal vernemen, dat zij u gelukkig maakt, en zij mijne plaats bij u zal vergoeden.
Ik schrijf u dit, beste Carel, daar ik veronderstel, gij met al die zwarigheden misschien geen genoegen neemt, daar ik zeer goed begrijp, dat uw geduld op de proef wordt gesteld.’

pagina 137
Louise gaat zich voorbereiden op haar Paaschcommunie en zij verzoekt Carel zijn gebeden met de hare te vereenigen om Christus’ voorbeeld te volgen in blijdschap, maar ook in tegenspoed en teleurstelling. Zij sluit een palmtakje, op Palmzondag gewijd bij haar brief in, dat Carel in zijn gebedenboek moet doen, om hem aan haar te doen herinneren en haar in zijn gebeden te gedenken.
‘Op zulk een gewigtigen dag ben ik alsdan altijd veel geruster, en dikwijls komt mij op dien dag in de gedachte, dat ik volgaarne de aarde zou verlaten, daar ik de verzekering heb, dat ik bij god genade en vergiffenis van mijne zonden heb ontvangen en dus zeker bij Hem in den Hemel zal komen.
Is het bij u ook niet zoo, Carel?’
‘Na u de verzekering van mijn achting en toegenegenheid nogmaals in dezen te hebben gegeven, zoo groet ik u van harte en noeme mij
Uwe opregte vriendin Louise’.

Carel zou niet de vasthoudende koppige Tukker geweest zijn, die hij in werkelijkheid was, om gewapend met een principieele instemming der ouders en met zooveel vroome volgzaamheid van de dochter, den strijd om het geluk op te geven.
Terstond richt hij een eerbiedig maar vastberaden verzoek om klaarheid tot den vader, die hem op 29 Maart antwoordt, dat hij slechts herhalen kan, wat hij een week geleden reeds schreef: Louise moet zelf beslissen. Reden tot ongerustheid of voor onekerheid is er dan ook niet.
‘In mijnen vorigen brief is reeds de beantwoording van uw laatste schrijven ged. 25sten dezer opgesloten, zoodat er dus bij mijne vrouw en mij geene questie bestaat, dat Louise aan u haar wederliefde verleent, hetgeen wij nogtans geheel en al en alleen aan haar overlaten.’

Het plan om een verlof aan te vragen en naar Semarang te komen, teneinde persoonlijk kennis te komen maken, vindt bij de ouders van Haastert algeheele instemming.
‘Hopende, waarde Heer Sloot! dat deze letteren meer dan de voorafgaande U bevredigend zullen voorkomen, en dat de Almagtige over Uw voornemen Zijne zegen moge uitstorten, zoo verblijf ik, na minzame groeten mijner gade, met agting en toegenegenheid.
Uw dw. dienaar.’

Dit antwoord schijnt afdoende geweest te zijn, want op 8 April kon Carel aan dr. van Haastert berichten, dat Wiesje hem het jawoord definitief gegeven had.
‘Wij houden u voor een godsdienstig mensch - schrijft de a.s. schoonvader aan den pretendent, die nu met ‘Waarde Carel’ wordt aangesproken - en hebben daarom ook aan ons kind in deze zeer ernstige zaak volkomen vrijheid toegestaan’.

Pagina 138:
Wij achten derhalve ons door deze verpligt, u hiermde, in soo verre te feliciteren: maar kunnen tevens voor u niet verbergen, dat de gedachte van welligt van onze geliefde dochter, die ook onze dierbaarste vriendin is, te moeten scheiden ons diep bedroefd maakt.
Wanneer echter God zulks zoo moge beschikken, Och! dan geve Hij, dat wij bij het gemis van Wiesje, die onze vreugde en bijstand is, eenigzins getroost en opgebeurd mogen worden, door de verwezenlijking van eene zoo plegtig aan ons gedane belofte, om voor haar een liefderijk echtgenoot en getrouwe levensgezel te zullen zijn.’

De overkomst naar Semarang had in Juli plaats en op 31 Augustus 1850 d.a.v. werd het huwelijk te Semarang met groote plechtigheid voltrokken, ingezegend door den Bisschop Mgr. P.M.Vrancken zelf, die voor deze gelegenheid naar Semarang was overgekomen. De belangstelling bij dit huwelijk en bij den vreugevollen intocht vanhet jonge paar in Grissée was bijzonder groot en het medeleven van het betrekkelijk kleine Europeesche samenleving alleerhartelijkst. Daarvan getuigen de brieven (een enkele in dichtvorm) zoowel van Dr. van Haastert als van eenige vrienden.
....

pagina 139:
De innige wensch van de van Haasterts om hun kinderen bij zich in huis te hebben, is inderdaad verwezenlijkt: zijn eerste kleinkind Marie is in Semarang geboren.
Hoezeer van Haastert naar Wiesje’s nabijheid verlangde, blijkt uit den verjaarswensch,die hij richtte tot zijn kinderen in Grissée, kort na hun huwelijk:
‘Nu de ouders niet in de gelegenheid zijn, bij deze heuglijke gebeurtenis u aan ons hart te kunnen drukken, zal, waarde Carel, Gij zekerlijk dit, dezen keer, voor ons doen; want wij willen hopen, dat de goede God Wiesje en u speodig in onze nabijheid zal brengen, waardoor wij ons bovenmatig gelukkig zullen rekenen, alzoo wij alsdan op hare volgende geboortedagen in uw midden zijn’.
Papa van Haastert herinnert dan zijn ‘teeder geliefd Wiejse’ aan haar trouwdag en aan de toespraak van Mgr. Vrancken en eindigt:
‘Dat de goede en almagtige God u volharding in het geode schenke en dat Hij verder u zegene met een duurzame gezondheid, ziedaar den korten doch alles omvattenden wensch en bede, niet alleen voor dezen dag maar ook voor alle dagen uws levens van
Uwen u zegenenden en
beminnenden vader’.


In korten tijd groepeerde zich een groote vriendenkring rondom de nieuw-gevestigden. Daarvan getuigt onder meer mijn moeders Poëzie album, waarin veel schoone gedichten in alle talen - bij uitzondering ook wel eens in het Nederlandsch - zijn opgenomen.
Maar nog duidelijker kwam de bemindheid der familie Sloot tot uiting, toen op 6 October 1873 mijn grootmoeder, na een kortstondige ziekte aan het ruwe klimaat ten offer viel. zij kreeg longontsteking en bezweek daaraan na enkele dagen. Mijn grootmoeder telde toen 48 jaar.
‘Een brave vrouw gaat alles in waarde te boven; het hart van den man vestigt zijn vertrouwen op haar., en het ontbreekt hem niet aan zegen.’
‘Zij was eene moeder waardig in het aandenken der braven te leven’ getuigd haar bidprentje.

pagina 145
Kort tevoren op 11 Sept. 1873 had zij in het album van haar 15-jarige dochter dit fijngevoelde gedicht geschreven.
Sur une de ces pages chère enfant!
Parmi ces souvenirs tendres et charmants,
fantaisies gracieuses de tes amies
Je ne veux écrire qu’un nom,
Une parole, qui toujours dans ta vie,
Te sera un salutaire avis, ou une douce récompense
De tes plus heureux jours, une vive réminiscence,
Et jamais comme tant d’autres un souvenir ephémère
Ce nom ma Christine! c’est celui de ta mère
J.L. Sloot-van Haastert
De kinderen Sloot hebben de schriftelijke bewijzen van deelneming bij dat overlijden trouw bewaard, zoodat wij ons eenig denkbeeld kunnen vormen van de leemte, welke deze beminnelijke vrouw bij haar vrienden en verwanten heeft achtergelaten.
Ik zal uit deze brieven niet citeeren.
Geen der in Nederland aanwezige familieleden ontbreekt in deze verzameling hartelijke en roerende brieven: tante Jansje Pequeur, Pecqueur Jr., Sophie Melchers, vele van Haasterts, luitenant kol. Popellier, Tante Louise Krugers Dagneux en Oom Krugers, douarière Valkenhoff van Spreewenburg, A.M. Versteegh van Spreeuwenburg, Mgr. claessens te Batavia (die op 22 Dec. een plechtigen lijkdienst opdroeg).
Van mijn grootmoeder bezit ik verschillende portretten, waaronder een olieverfschilderij, gesigneerd K.W.S. uit het jaar 1876. Het is - aangezien het overlijden in 1873 plaats greep - naar het pastel, dat Moot bezit, geschilderd. Het hing vroeger bij tante Marie Sloot, Deze bijzonder goede afbeelding van mijn grootmoeder verstekt den indruk, die wij uit de verhalen van de tantes en van onze moeder van deze hoogstaande, beminnelijke vrouw hebben overgeleverd gekregen; het frêle figuurtje, de fijne handen, de warme oogen, de melancholieke mond, het gladde voorhoofd en het mooie donkere haar.


Pagina 146:
Hij schreef in het album van mijn moeder d.d. 23 April 1874 als slot van een versje:
‘t Is een wensch het hart ontvloden,
‘t Is een bêe tot God gericht;
Heer! bewaar, bescherm Christine,
Heer! bewaar mijn nieuwe Nicht.



....
Van de zeven kinderen was de dochter Jacoba Louisa van Haastert haar vaders oogappel. Zij is op haar 24ste in Semarang met een jonge Twentse onderwijzer getrouwd. Deze jongeman Carel Frederik Sloot was als 18-jarige in 1843 naar Java scheep gegaan. Ook zijn dagboek van die reis is uitgegeven en wel door de goede zorgen van zijn (oudste) dochter Melati van Java. ...
Misc. Notes
van Rob van Haastert:
4.  Jacoba Louisa (mijn grootmoeder) geb. 16 Sept. 1825 Samarang, died 6 Oct 1873 Roermond) married Carel Frderik Sloot (mijn grootvader) (geb. 22 Juni 1826 Oldenzaal, died 7 Juni 1883 Amsterdam) 
[BRP/15, page 123, 1825 Samarang, 72.  16 Septembris 1825 est nata et 22 Decembris 1825 baptisata Jacoba Louisa, filia naturalis et adoptata Christiani van Haastert ex matre infideli libera nomine Sajia.  Susc:  Samuel Cooper.]
----
Last Modified 19 Jun 2010Created 1 Aug 2019 using Reunion for Macintosh by Reinette