NameIr. Louis Felix (Louk) Kortenhorst
Birth29 Apr 1928, Assen, DR, NL
Death2006
Occupationlandbouwk. ing., agronoom Voedsel en Landb. Organ. der Ver. Naties
FatherLouis Arnoldus Kortenhorst (1884-1966)
Spouses
Birth24 Nov 1935, Pangkalan Brandan, Sumatra, Indonesië
Marriage30 Dec 1961, Waalre, NB, NL
 Arend Paul (1964-)
 Caroline Louise (1965-)
Notes for Ir. Louis Felix (Louk) Kortenhorst
Ilorin, North Nigeria
------------
uit het derde familieblad “Levens-sprokkels van de kleinkinderen van Gerardus Petrus Kortenhorst 1969”
------
pagina 22

Van Wageningen naar Afrika
Door: Louk (Ir. L.F.) Kortenhorst


“waar is gebleven zijn jonge leven,
Na acht jaar katersleur
Is hij nu ingenieur!”

Dat kon in juli ‘59 gezongen worden in de Sociëteit van Franciscus te Wageningen, tijdens een dolle-ernst voorspellend sluitfeest van die schone periode welke ligt tussen kale kop en landbouwbal.
Naar libya zou ik gaan in dienst van de FAO van de Verenigde Naties. Naar Cyrenaica, eens de korenschuur van het Oude Rome, maar door de ruiterhorden van de Zonen van Hilal in een woestijn veranderd. Deze bedouinen uit het Arabische binnenland kregen in 1046 ieder een kameel en een goudstuk van de Kalief van Egypte en ontvingen de order westwaarts te trekken op strafexpeditie. Zij vatten hun opdracht serieus op: van Alexandrië tot Tunis, ongeveer 2000 km kustlijn, vindt men heden géén ongeschonden bouwwerk meer uit de Griekse, Romeinse of Byzantijnse tijd, geregelde landbouw werd onmogelijk door de vernielend rondzwervende kudden geiten en het land werd een man-made desert, begrensd door de Moorse minaretten in het Westen en de Mohamed Ali Moskee en de pyramiden in het Oosten.
Mijn werkopdracht luidde een kweekprogramma op te zetten voor het verkrijgen van droogte-resistente variëteiten van tarwe, gerst en bonen en een jonge Cyrenaiker, één van de eersten met een B.Sc.graad, voor te bereiden om het veredelingswerk over te nemen en voort te zetten. Proefvelden werden niet alleen aangelegd rondom de gefortificeerde proefboerderij (Italië heeft Cyrenaica nooit kunnne “pacificeren”!), maar ze brachten me ook van Tobroek via Cyrene en Benghazi tot in de bocht van Syrte, daar waar tegenwoordig gigantische pijpleidingen hun rijkdom in de tankers pompen. Het werk bracht me door bijbels land waar elke jonge herder een Jozef kon zijn en elke in wijde barakán gehulde grijsaard een Abraham. Waar men dagelijks een Maria op het ezeltje ontmoet en waar kamelen aan de stadspoort op hun koopwaar wachten.
Niets is fascinerender dan een tocht odor de woestijn Zidwaarts naar een van de oases. Geen weg, geen groen, maar zand en hemel, waar gidsen op zon en sterren feilloos de route vinden. Een land van wijdte en licht. Tot je Landrover plotseling uitziet over een dal met stille dadelpalmen. Eéns in de vijf jaar regen, een trillende 45°C in de zomer en snijdende Noordoosten stormwinden rond het vriespunt in de winternachten.
Water is duur in Libya. Langs de kust rekent men op één gerstoogst per drie jaar. Een extra droog jaar wordt gevolgd door een hoge golf van kinder- en kalversterfte. N’sh Allah! Zo Allah wil!
Maar mijn werk bracht me natuurlijk ook op het U.N.-office in Benghasi (later overgeplaatst naar Tripoli). En kijk, wie ziet mij vanachter haar typemachine en filing cabinets, met een frisse lach aan? Juist! Liesbeth! En dat in een land waar de enige verkwikking een dagelijkse duik in de blauwe Mediterranean leek! En is zwemmen met zijn tweeën niet nóg plezieriger? Edoch, de regering verhuisde naar Tripoli, mét de Verstege’s en U.N. Jammer, want Liesbeth leefde altijd zo méé met mijn werk: ze vond b.v. eens “dat ik mijn grasjes eens minder moest verwaarlozen en vaker moest gieteren!” Het betrof n.b. een droogte-selectie-proefje met gerst!!
In die tijd heb ik enige malen gehoor gegeven aan een door de woestijnwind en gazellen meegedragen stem, die me aanspoorde ‘ns een bloemetje aar Tripoli te brengen: om geen tijd te verliezen in één dag de 1200 km kustweg, door dorre steenvlakten, langs de groene dadeltuinen van Nisurata en de oude-testamentische waterputten van Syrte. Onderweg een bord koes-koes met schapevlees, een kop Turkse koffie, even een duik in zee en weer verder!
Toen, in mei ‘61, kreeg ik een telegram van FAO headquarters Rome, of ik wat voor Nigeria voelde. Als projectleider onder de Freedom from Hunger Campaign. Een prachtige gelegenheid, hoewel jammer om één en ander in Libya achter te laten! Oók mijn werk, maar zulks houdt een FAO-baan nu eenmaal in: iets beginnen, een inheemse kracht opleiden en de zaak overgeven.
eind mei kon ik gaan, we verloofden ons in Tripoli en na een bliksembezoek aan Rome en Holland, stond ikbegin Juni op het vliegveld van Lagos, in een drukkende warmte die trouwens even later werd weggespoeld door een tropische wolkbreuk. De periode Zwart-Afrika was begonnen.
Nu zullen er wellicht rechtzinnigheidsminnenden zijn in de Kortenhorststam, die aureool-hoog vóórstaan dat verloofden elkaar niet te veelvuldig dienen te ontmoeten. Zij zullen dan onze verloving ongetwijfeld een “correcte” of een “erg móóie” genoemd hebben.: immers, duizenden kilometers Savanne en Sahara scheidden ons! De juiste waardebepaling in het midden van de Sahara latend, eind december kon ik gelukkig voor besprekingen naar Rome vliegen, van welke gelegenheid gebruik werd gemaakt om een paar weken verlof op te nemen en, onder inzegening van mijn oude studentenmoderator en onder de blijde verbazing van familie en studievrienden, het celibaat als verfoeilijk af te zweren. Liesbeth was ook al geruime tijd fel tegen celibaat, dus dat klopte mooi.
Terug in Ilorin, Nigeria, veranderde nu veel. In het huis kwamen gordijnen, een bloemetje op tafel, een verjaarskalender waar deze hoorde, een krukje vóór en potjes en flesjes óp het snuftafeltje, een direntuin (hond, kat, konijn, kippen, antiloop), een baby-commode, steelpannen en al dat soort dingen die nu eenmaal bij een blij huwelijk horen. Het werk liet echter niet veel gelegenheid om het in “Nederlandse kringen zo hooggeprezen geregelde huishouden” te leiden: het ontbijt viel nog wel eens pas na drieën ‘s middags en dikwijls stonden we ‘s avonds om elf uur nog samen te kokkerellen in de keuken. We kregen nogal wat gasten, officiële en onverwachte, en bier, eten en muggennet stonden altijd klaar.
Het werk betrof het verhogen van de productie én de consumptie van plantaardige, dus goedkope eiwitten. Freedom from Hunger. Het is werkelijk verwonderlijk hoe weinig men in Europa eigenlijk maar weet van Afrika. Bij hoevelen leeft nog steeds het beeld van “de romantische tropen!” Met palmen lans de witte kust, een brullende leeuw op de maanlichte veranda, blote kindertjes met fluwelen vragende ogen, Sarina die stampte de paddi tot b’ras. enzovoort. Zelfs veel Europeanen die jarenlang in de tropen zijn geweest -ik heb ze ontmoet- weten dikwijls nauwelijks hoe een Afrikaan leeft, wat hij eet of beter: wat hij nooit eet met alle gevolgen van dien, de mortaileit, “het gezinsleven”, verdekte slavernij en het twijfelachtige effect van zoveel eeuwen contact met technisch en commercieel Europa. Nog steeds kan men de uitspraak horen: “Och, ze hebben toch hun schaal met cassave? Daar zijn ze tevreden mee!” Wel, ik heb zo gezien, de mensen met gebreksziekten, ze zijn hier overal. Onvoorstelbare wrakken. Zijn ze werkelijk zo tevreden? Kwaskiorkor, wat betekent: waaraan het kind sterft wanneer een volgend kind geboren wordt. Geen wonder, want het van de borst verdrongen kind moet het de eerste jaren met stijfsel doen: geen melk, geen eieren, geen groente en geen vlees. Stijfsel.
Mijn collega, een voedingsdeskundige, kwam vaak bij ons thuis om weer wat moed te verzamelen: “Eindelijk weer een gezond, gelukkig kind!” Jeske op haar schoot nemend.
Jeske was 25 november ‘62 geboren.In een Missie-kraamkliniekje bij Ibadan, een dag na Liesbeth’s verjaardag. We hadden gehoopt de verjaardag met een dansje en een wijntje te vieren, maar het liep anders uit: 160 km hobbelen naar Ibadan en bovendien een lichte malaria aanval verspoedigde Jeske’s komst. Terwijl ik Zondagmorgen nog even naar de mis ging om het religieuze hoofdstuk van het “opvoedingsschema voor onze oudste dochter” nog van enige punten en komma’s te voorzien, arriveerde deze. Ik werd begroet door een gelukkige Liesbeth en een krijtende Krent. We waren nu met ons drieën. We vonden dat we het met Jeske en dat zij het met haar ouders getroffen had en zo was iedereen verheugd en tevreden.
Ook het werk ging door. Voortdurend lagen een 15 ha. onder veldproeven. de rekenmachine stond zelden stil en in vele dorpen in een savanne-strook van 100 x 400 mijl langs de bruine traagstromende Niger lagen de demonstratieve veldjes. Margaret, onze Ierse voedingsdeskundige, hield overal “moedergroepen” om de geschikt gevonden variëteiten van vele peulvruchten ingeburgerd dte krijgen in de dagelijkse pot en trachtte de bevolking de alleereerste beginselen van hygiëne en kinderverzorging bij te brengen.
Noord-Nigeria is eentonig. Savanne. 2 tot 3 meter hoog olifantsgras met verspreid geboomte. Het interessante is de bevolking. De gan-gan (”de talking drum”, d.i. de bush-telefoon), de kano-wedstrijden op de Niger en de kleurige indrukwekkende durbans (ruiterfeesten op Moslim-hoogtijdagen, wanneer fraai uitgedoste dorpshoofden trouw zweren aan Allah en hun Emir) zullen we niet makkelijk vergeten! Noch Laro, een van onze trouwe chauffeurs, zoon van een Hanssa-hoofd. Toen hij b.v. na een jaar Hfl 10,-- opslag per maand kreeg vond hij het tijd worden zich een derde vrouw aan te schaffen! De tweede had hij enige maanden eerder van zijn oude grijze vader gekregen, die het arme kind als loyaliteitsblijk van een van diens dorpshoofden had ontvangen, maar er zelf, als oude-van-dagen, niet goed raad meer mee wist! Later is ze er trouwens met een marktvriendje vandoor gegaan, maar werd door de Native Court (”adat”-gerechtshof) weer naar haar “rechtmatige” echtgenoot Laro terugverwezen. Waar werd oprechter trouw...!
Ondertussen liep het werk naar wens en kon het project overgedragen worden aan de Noordnigeriaanse regering. He was september ‘63. FAO bood twee nieuwe contracten aan, een in Zuid-Soedan en de ander in de Congo. Geen van tweeën was echter verantwoord aan te nemen: in de Soedan woonde de dichtsbijzijnde arts maar eventjes 500 km van ons vandaan en was in de regentijd slechts per vliegtuig bereikbaar, en in de Congo was het veel te onrustig. En dat met Liesbeth, wederom in gezegende staat en Jeske nog geen jaar oud!
Veertien dagen zijn we zonder baan geweest. Toen kwam er een telefoontje uit Den Haag. Buitenlandse zaken: “Wij zoeken een projectleider voor ons Jongeren Vrijwilligers Programma in Kameroen. Ze horen van Technische Hulp dat U mogleijk wel voor een gesprek zou voelen!” Klik! 21 jonge krachten: landbouwkundigen, huishoudkundigen, een arts en een verpleegster. M.i.v. 1 oktober een contract en de 19e vloog het gezin naar het broeiend warme Donala, in dienst van Luns, en vandaar via Buca, de speelgoedhoofdstad van de Western Region, naar onze nieuwe standplaats Bambui, 1500 meter hoog in de bergen.

Summary
In July 1959 I got my degree as an agricultural engineer at the agricultural college in Wageningen and got a job with the FAO. My first position was in Libya, once the granary of the Romans, now a barren land, since the desert was given a free hand by man. I worked on a growing-programme for dryness-resistency varieties of tara, barley and beans. My job also took me to the U.N.-office in Benghari.
And who was sitting there behind a typing-machine and between the filing cabinets? Exactly: Liesbeth. When the U.N.-office with Liesbeth moved to Tripoli (1200 km along the coastal road) I went there to bring her some flowers.
In May 1961 I was transferred to Nigeria as a project-manger for the “Freedom from Hunger Campaign”.
On the occasion of a conference in the FAO-headquarters in Rome I took leave for a few weeks and we were married on December 30th in Waalre. In Nigeria (Ilorin in the North), Jeske was born on November 25th 1962. In Nigeria I got to know the people in Africa: how they live, what they (do not) eat, the huge death-rate, the masked slavery. I worked on the experimental fields and Margaret, our Irish nutrionist brought “groups of mothers” together to teach them elementary hygiene and child-care.
In September 1963 we turned our project over to the Northern Nigerian Government. FAO offered me a project in the South of Soudan or in the congo. we thought both of them too dangerous for our newly beginning family. The Dutch Government offered me a job as project-maanger for the Youth Volunteers Programme in Cameroun. On the 19th of October 1963 we flew to Douala and from there to the new post Bombui, 1500 meters altitude in the mountains.
Last Modified 2 Apr 2009Created 8 Feb 2018 using Reunion for Macintosh by Reinette